Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Nehemia
Hoofdstuk 7

Het boek Nehemia betreft de periode 445-430 v.Chr.

   
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam, dan ziet u de betekenis)


1 En het gebeurde toen de muur gebouwd werd, dat ik de deuren installeerde en de poortwachters werden gemonsterd en de zangers en de Levieten.
2 En ik gaf ChananiChanani = genadig (is Jah), mijn broeder, instructie over JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter, en ChananjaChananja = genadig is Jah, overste van het kasteel, want hij was een man van betrouwbaarheid en hij vreesde de Elohim meer dan velen.
3 En ik zei tot hen: "De poorten van JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter zullen niet geopend worden tot de zon warm is, en terwijl zij staan zullen zij de deuren dicht slaan. En houdt ze zo! En doet wachtposten van inwoners van JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter staan, een ieder op zijn wachtpost, tegenover zijn huis."
4 En de stad was wijd en groot van kanten, maar het volk was weinig in haar midden en er waren geen gebouwde huizen.
5 En mijn Elohim gaf het op mijn hart en ik riep de notabelen en de bestuurders en het volk bijeen om zich te registreren. En ik vond de boekrol van het register van hen die als eersten opkwamen en ik vond er in geschreven:
6 "Dezen zijn de zonen uit de provincie, die opgingen vanuit de krijgsgevangenschap van de deportatie, die NebukadnessarNebukadnessar = Nabu, bescherm de erfzoon, koning van BabylonBabylon = verwarring, deporteerde; en zij keerden terug naar JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter en naar JudaJuda = lof, een ieder naar zijn stad.
7 Die kwamen met ZerubbabelZerubbabel = spruit uit Babel: JeshuaJeshua = JAH redt, NechemjaNechemja = JAHWEH vertroost, AzarjaAzarja = hulp is Jah, RaämjaRaämja = donder van Jah, NachamaniNachamani = trooster (is God), MordechaiMordechai = (vereerder) van Merodak, BilsanBilsan = hun Heer, MisperetMisperet = aantal, BigwaiBigwai = gelukkig (Sanskriet), NechumNechum = troost of bemoediging en BaänaBaäna = in bezoeking. Dit was het getal van de mannen van het volk van IsraëlIsraël = strijder van God:
8 de zonen van ParosParos = springer, vlo, twee duizend honderd twee en zeventig;
9 de zonen van SefatjaSefatja = geoordeeld heeft Jah, driehonderd twee en zeventig;
10 de zonen van ArachArach = reiziger, zeshonderd twee en vijftig;
11 de zonen van Pachat-MoabPachat-Moab = stadhouder van Moab (als naam, niet als titel), van de zonen van JeshuaJeshua = JAH redt en JoabJoab = JAH is Vader, twee duizend, achthonderd en achttien;
12 de zonen van ElamElam = voor de aion, duizend tweehonderd vier en vijftig;
13 de zonen van ZattuZattu = zijn helderheid of zijn glans, achthonderd vijf en veertig;
14 de zonen van ZakkaiZakka = zuiver, zevenhonderd en zestig;
15 de zonen van BinnuïBinnuï = familie, zeshonderd acht en veertig;
16 de zonen van BebaiBebai = mijn holten, zeshonderd acht en twintig;
17 de zonen van AzgadAzgad = (perzisch) boodschapper, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
18 de zonen van AdonikamAdonikam = mijn heer staat (tot hulp), zeshonderd zeven en zestig;
19 de zonen van BigwaiBigwai = (sanskriet) gelukkig, twee duizend, zeven en zestig;
20 de zonen van AdinAdin = behaaglijk, zeshonderd vijf en vijftig;
21 de zonen van AterAter = binder, van ChizkiaChizkia = kracht is Jah, acht en negentig;
22 de zonen van ChasumChasum = welgedaan, driehonderd acht en twintig;
23 de zonen van BesaiBesai = overwinnaar, driehonderd vier en twintig;
24 de zonen van CharifCharif = vroeg geboren, honderd en twaalf;
25 de zonen van GibeonGibeon = hoogte, vijf en negentig;
26 van Bet-LehemBet-Lehem = broodhuis en NetofaNetofa = druppelen, honderd acht en tachtig;
27 de mannen van AnatotAnatot = verhoringen, honderd acht en twintig;
28 de mannen van Bet-AzmawetBet-Azmawet = huis van de sterkte van de dood, twee en veertig;
29 de mannen van Kirjat-JearimKirjat-Jearim = stad van de bossen, KefiraKefira = dorp en BeërotBeërot = putten, zevenhonderd drie en veertig;
30 de mannen van RamaRama = hoogte en GebaGeba = hoogte, heuvel, zeshonderd één en twintig;
31 de mannen van MichmasMichmas = schuilhoek, honderd twee en twintig;
32 de mannen van Bet-ElBet-El = huis van God en het AiAi = ruïne, honderd drie en twintig;
33 de mannen van het andere NeboNebo = hoog zijn, twee en vijftig;
34 de zonen van de andere ElamElam = voor de aions, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
35 de zonen van CharimCharim = met gespleten neus, driehonderd en twintig;
36 de zonen van JerichoJericho = maanstad, palmstad, driehonderd vijf en veertig;
37 de zonen van LodLod = breuk, HadidHadid = scherp en OnoOno = sterk, zevenhonderd een en twintig;
38 de zonen van SenaäSenaä = de gehatene (=achtergestelde vrouw), of: doornheg, drie duizend, negenhonderd en dertig;
39 de priesters: de zonen van JedajaJedaja = JAH weet, van het huis van JeshuaJeshua = JAH redt, negenhonderd drie en zeventig;
40 de zonen van ImmerImmer = lam, schaap, duizend twee en vijftig;
41 de zonen van PaschurPaschur = gerust, duizend tweehonderd zeven en veertig;
42 de zonen van CharimCharim = met gespleten neus, duizend en zeventien;
43 de Levieten: de zonen van JeshuaJeshua = JAH redt, van KadmiëlKadmiël = vooraan gaat God, van de zonen van HodewaHodewa = roem is Jah, vier en zeventig;
44 de zangers: de zonen van AsafAsaf = (Jah) voegt toe, of: verzamelt, honderd acht en veertig;
45 de poortwachters: de zonen van SallumSallum = vrede is Jah, de zonen van AterAter = binder, de zonen van TalmonTalmon = onderdrukker, de zonen van AkkubAkkub = bedrieglijk, de zonen van ChatitaChatita = onderzoek, de zonen van Sobai,Sobai = wegvoerder is Jah honderd acht en dertig;
46 de NethinimNethinim = tempelhorigen, zijn aan het heiligdom gegeven en verrichten onaangename en zware taken: de zonen van SichaSicha = verdord, de zonen van ChasufaChasufa = ontbloot, de zonen van TabbaotTabbaot = zegels;
47 de zonen van KerosKeros = enkel, de zonen van SiaSia = vergadering, de zonen van PadonPadon = (Jah) bevrijdt;
48 de zonen van LebanaLebana = witte, de zonen van ChagabaChagaba = (grieks - Agabus) sprinkhaan, de zonen van SalmaiSalmai = beschutting is Jah;
49 de zonen van ChananChanan = genadig (is Jah), de zonen van GiddelGiddel = zeer groot, de zonen van GacharGachar = (geboren in een jaar) arm aan regen;
50 de zonen van ReajaReaja = JAH ziet, de zonen van ResinResin = (syrisch) beekje - (hebreeuws) sterk, de zonen van NekodaNekoda = onderscheiden, voornaam;
51 de zonen van GazzamGazzam = verslinder, de zonen van UzzaUzza = kracht, de zonen van PaseachPaseach = kreupel;
52 de zonen van BesaiBesai = mijn betreden, de zonen van MeünimMeünim = ???, de zonen van NefussimNefussim = verfrist door specerijen;
53 de zonen van BakbukBakbuk = fles, de zonen van ChakufaChakufa = gebogen (door Jah), de zonen van CharchurCharchur = ontsteking;
54 de zonen van BaslitBaslit = ?ontbloot, de zonen van MechidaMechida = beroemd of edel, de zonen van CharsaCharsa = stom/doofstom;
55 de zonen van BarkosBarkos = schilder, de zonen van SiseraSisera = slagorde, de zonen van TemachTemach = (samaritaans) gelach;
56 de zonen van NesiachNesiach = uitmuntend, de zonen van ChatifaChatifa = gevangen;
57 de zonen van de dienaren van SalomoSalomo = man van vrede; de zonen van SotaiSotai = veranderlijk, de zonen van SoferetSoferet = geschrift, de zonen van PeridaPerida = scheiding;
58 de zonen van JaälaJaäla = op een rots klimmer, gazelle, de zonen van DarkonDarkon = drager, de zonen van GiddelGiddel = zeer groot;
59 de zonen van SefatjaSefatja = geoordeeld heeft Jah, de zonen van ChattilChattil = praatziek, de zonen van PocherethPochereth = hertenjager van ShebaïmShebaïm = hier gebeurt het afsnijden, de zonen van AmonAmon = betrouwbaar.
60 Al de NethinimNethinim = tempelhorigen, zijn aan het heiligdom gegeven en verrichten onaangename en zware taken en de zonen van de dienaren van SalomoSalomo = man van vrede, waren driehonderd twee en negentig.
61 En dezen gingen op van Tel-MelachTel-Melach = heuvel van zout, Tel-CharsaTel-Charsa = heuvel van het woud, KerubKerub = zegen, AddonAddon = machtige en ImmerImmer = lam, schaap; maar zij konden niet het huis van hun vaders en hun zaad noemen, of zij uit IsraëlIsraël = strijder van God waren;
62 de zonen van DelajaDelaja = uit (het gevaar) getrokken heeft Jah, de zonen van TobiaTobia = goed is Jah, de zonen van NekodaNekoda = onderscheiden, voornaam, zeshonderd twee en veertig.
63 En van de priesters, de zonen van ChobajaChobaja = verborgen, beschermd heeft Jah, de zonen van HakkosHakkos = doorn, de zonen van BarzillaiBazillai = van ijzer, die een vrouw nam van de dochters van BarzillaiBarzillai = van ijzer, de Gileadiet, en naar hun naam genoemd was.
64 Dezen zochten hun geschrift onder hen die zich geregistreerd hadden, maar het werd niet gevonden; en zij werden gediskwalificeerd voor het priesterschap.
65 En de regent zei tot hen dat zij niet mochten eten van de heiligheid van de heiligheden, tot er een priester op zou staan met de Urim en Thummim.
66 En de hele samenkomst was als één: twee en veertig duizend drie honderd en zestig,
67 nog afgezien van hun dienaren en dienstmeisjes; deze waren zeven duizend drie honderd zeven en dertig. En tot hen behoorden zangers en zangeressen: twee honderd en vijf en veertig.
68 Hun paarden: zeven honderd zes en dertig; hun muildieren - twee honderd vijf en veertig.
69 Kamelen: vier honderd en vijf en dertig. Ezels: zes duizend zeven honderd en twintig.
70 En sommigen van de hoofden van de vaders gaven aan het werk. De regent gaf aan de schatkamer: goud - duizend darieken*1), vijftig besprengschalen en dertig priestertunieken en vijfhonderd minas*2.
71 En enkele van de hoofden van de vaders gaven aan de schatkamer van het werk: goud - twintig duizend darieken, en zilver - twee duizend twee honderd minas.
72 En wat de overigen van het volk gaven was: goud - twintig duizend darieken, zilver - twee duizend minas, en zeven en zestig priestertunieken.
73 En de priesters en de Levieten en de poortwachters en de zangers en enigen van het volk en de NethinimNethinim = tempelhorigen, zijn aan het heiligdom gegeven en verrichten onaangename en zware taken en heel IsraëlIsraël = strijder van God woonden in hun steden. En de zevende maand werd bereikt en de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God waren in hun steden.

1) dariek - een Perzisch gewicht - 8,4 gram.
2) mina - eenheid van gewicht - 571 gram

Terug naar de indexpagina
Naar Nehemia 8
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.