Notities bij de brief aan de Romeinen
deel 44
door G.L. Rogers


De geroepenen van God en de verworpen natie
Romeinen 9:25-33

"25 gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde.
26 En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God.
27 En Jesaja roept over Israel uit: Al was het getal der kinderen Israels als het zand der zee, het overschot zal behouden worden;
28 want wat Hij gesproken heeft, zal de Here doen op de aarde, volledig en snel.
29 En gelijk Jesaja tevoren gezegd had: Indien de Here Sebaot ons geen zaad overgelaten had, als Sodom zouden wij geworden zijn en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn.
30 Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is;
31 doch Israel, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen.
32 Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,
33 gelijk geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. "
Paulus is nooit alleen maar een speculatief theoloog, zeker niet in dit hoofdstuk. Hij behandelt hier het hartbrekende feit van de verwerping van de natie en het harmoniseren daarvan met het andere feit van de uitverkiezing van Israël. Als hij zich al bewust is van de problemen die theologen hebben gemaakt, dan schenkt hij er in ieder geval geen aandacht aan. Hij stelt zij aan zij de feiten van de absoluutheid van de Godheid en van de menselijke aansprakelijkheid. Hij is bezig geweest met het handhaven van Gods vrijheid tegenover de inperkingen die het uitverkoren volk Hem wilde opleggen. En hij heeft laten zien dat in het uitoefenen van Zijn rechten als de Pottenbakker, God voorwerpen van genade heeft gemaakt,"ons die Hij roept, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen." Beide zijn uit hetzelfde kleikneedsel, de geroepenen net zozeer als de hen die tot voorwerpen van verontwaardiging zijn gemaakt. Hij zal laten zien dat zij die verworpen zijn niets beters verdienen. De roeping is genade; de verwerping is rechtvaardig. De geroepenen uit de heidenen verkrijgen de redding door genade; de verworpen Israëlieten hebben die genade verspeeld. Verkiezing is uit genade, en de uitverkorenen zijn geroepen tot geloof en heiligheid.

Geen enkele natie is zo zeer begunstigd en bevoorrecht als Israël; daarom kon ook geen andere natie zo tegen licht en genade zondigen als zij. Geen ander volk heeft zoveel kastijding en toorn verdiend en ontvangen. Zij zijn als natie een zeer koppig en tegensprekend volk, ondanks hun vreselijke kwellingen. Maar de toorn wordt getemperd door genade en ze zijn nog steeds het uitverkoren volk en de geliefde omwille van de vaderen. Gedurende hun verstrooiing zijn ze bewaard geworden door Jehovahs liefde.

"Want Ik ben met u, luidt het woord des Heren, om u te verlossen; want Ik zal met alle volken waaronder Ik u verstrooid heb, voorgoed afrekenen, maar met u zal Ik niet voorgoed afrekenen, doch naar recht u tuchtigen, al zal Ik u zeker niet vrij laten uitgaan. "
(Jer. 30:11)
Onze Heer vond in de natie een uitverkoren overblijfsel en Paulus spreekt hier van sommigen die uit de Joden werden geroepen. Hij was één van hen. Hoewel de natie is verworpen, worden individuele Israëlieten geroepen.

In vers 24 worden Joden en heidenen geroepen. Dat heidenen geroepen worden komt overeen met een profetie door Hosea, 25,26. Dat een overblijfsel uit het volkrijke Israël als een zaad gered zou worden, was al door Jesaja voorzegd, 27-29. Een keerpunt wordt bereikt met het stellen van een vraag: Wat zullen wij dan zeggen? Het antwoord vat het betoog samen over het uitverkoren volk en de roeping uit niet-uitverkoren volkeren. Het introduceert de reden voor de terugval van het volk en voor het roepen van individuele Joden. Sommige heidenen verkregen rechtvaardigheid, terwijl Israël er via de wet niet aan toekwam, 30,31. De tweede vraag is: Waarom? Het antwoord is dat het geloof in Christus de test is; voor de ongelovige is Hij een Steen des Aanstoots, maar voor de gelovige is Hij redding, 32,33. Deze korte verklaring in de verzen 30-33 wordt in hoofdstuk 10 verder uitgewerkt.

25,26.

"25 gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde.
26 En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God."
De citaten zijn gewoonlijk uit de Septuagint[de Griekse vertaling van het NT;WJ], en zij illustreren de manier waarop de geest van God de geïnspireerde woorden, die eerder voor een ander doel werden gegeven, aanpast aan een nieuwe situatie. Deze citaten worden gebruikt om een principe te illustreren; ze worden niet geïnterpreteerd. Ook wordt niet gezegd dat ze vervuld worden; de vervulling is nog toekomst en zal letterlijk zijn. Er zou heel wat vergissing gebouwd kunnen worden op een verkeerd gebruik van deze woorden. Ze bewijzen bijvoorbeeld niet dat de heidenen die geroepen worden het ware Israël van God zijn, of dat zij een volk zijn. Israël zal Gods volk zijn, de uitverkiezing uit Israël is nu "een zeker gesteld volk," maar het lichaam van Christus is niet een volk.

Deze woorden worden toegepast op heidenen, hoewel hun volle kracht als nationale beloften blijft bestaan. De profetie was gericht aan de tien-stammige natie, die praktisch heidenen zijn, totdat ze terugkeren naar God. Nationaal zijn zij op dit moment precies zoals de heidenen. Genade is Israël's enige hoop en in dit opzicht zijn ze een patroon van de heidenen. Beiden zijn Lo-Ammi, niet Mijn volk.

Paulus en Petrus citeren beide Hosea, maar ieder past hoe toe op een andere klasse. Petrus citeert Hosea 2:23 en past het toe op het overblijfsel, dat inderdaad het Israël van God is. De natie is "Niet Mijn volk," maar het overblijfsel is "het volk van God." Maar Paulus citeert Hosea 1:10 én 2:23. En hij past het hier toe op de heidenen die door genade geroepen zijn. De zin waarin Paulus het gebruikt is veel weidser dan de woorden van Hosea. Hij voegt het woord daar toe, met als betekenis dat waar ook zij die "niet Mijn volk" genoemd worden zijn, daar zullen zij de zonen van de levende God genoemd worden. In het citaat is dat overal in de heidense landen waar Joden en heidenen geroepen worden.

27,28.

"27 En Jesaja roept over Israël uit: Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden;
28 want wat Hij gesproken heeft, zal de Here doen op de aarde, volledig en snel."
Paulus gaat nu van een profetie die hij toepast op heidenen, met betrekking tot de uitsluiting van allen over naar anderen, behalve een overblijfsel van Israël. Hij noemt het overblijfsel niet Joden, zoals hij dat wel in vers 24 deed; het overblijfsel is uit de zonen van Israël. Jesaja roept uit over Israël met een gepassioneerde uitroep: Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden; want wat Hij gesproken heeft, zal de Here doen op de aarde, volledig en snel. Paulus zegt hier met opzet dat deze citaten uit Jesaja Israël betreffen. Ze zijn hier niet toegewezen aan de heidenen. Hoewel het uitverkoren vol zeer talrijk zou worden, zal toch slechts een goddelijk overblijfsel in de eindtijd gered worden, wanneer twee-derde zal worden afgesneden. Dit zal plaatsvinden in het land van Israël en het zal een kortstondige en snelle uitvoering zijn, die tijdens de grote-, of Jacobs verdrukking over de natie zal komen. Op dat moment zal een overblijfsel gered worden. Paulus past dit Schriftgedeelte toe op de crisis die al in zijn tijd kwam. Israël had al een voorproefje gekregen van het hoogtepunt van de verontwaardiging van de eindtijd(1Thess. 2:16). En er was al een overblijfsel, waarvan een deel Petrus volgde en een deel Paulus. Het laatste deel was, met de geroepen heidenen, samengevoegd in het lichaam van Christus(1Kor. 12:13). Doorheen de geschiedenis van Israël is er altijd een goddelijk overblijfsel geweest door wie God Zichzelf onthulde. Dit werd duidelijker in de dagen van Israël's verstrooiing. Het merendeel van de natie is nooit trouw geweest aan God.

29.

"En gelijk Jesaja tevoren gezegd had: Indien de Here Sebaot ons geen zaad overgelaten had, als Sodom zouden wij geworden zijn en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn."
Dit betekent dat tenzij de goddelijke Pottenbakker in de uitoefening van Zijn opperste gezag zeer genadevol geweest is, heel de uitverkoren natie net zo volledig vergaan zou zijn als Sodom en Gomorra. Tussen het uitverkoren volk en de doem van de steden op de Vlakte stond niets meer dan de genade van God. Hun religieuze zonden verdienden net zoveel verontwaardiging als de grove zonden van de Sodomieten. Steeds weer had Gods terughoudende hand en veelvuldige genade het volk gered. En nu was zelfs de grootste aller zondaren, Saulus van Tarsus, het meest opvallend voorbeeld van goddelijke genade geworden. Israëlieten als Paulus, die hun verbondsvoorrechten verloren toen ze in het lichaam van Christus gedoopt werden, zijn niet het zaad, of de kiem, van het toekomstig Israël. Petrus schrijft aan een ander deel van het overblijfsel, dat zelfs nu het ware Israël is.

Toen God Israël koos, en later met hen een wettig verbond sloot, verspeelde Hij niet het recht om individuen van de natie te oordelen en te verwerpen, zelfs als het om massa's ging. Nee, juist naar de geest van het verbond, dat ze in uiterst gebrek aan zelf-kennis beloofden te houden, was het onontkomenlijk dat ze op den duur te weten zouden komen dat de wet verontwaardiging bewerkt, diezelfde verontwaardiging die over hen heen gekomen is. Tot dusverre is in dit betoog alleen de vraag naar Gods gezag en vrijheid aan de orde geweest. De apostel laat nu de zonde van de meerderheid van Israël zien, die aanleiding, zo niet de oorzaak, was van hun huidige verwerping.

30.

"Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is;"
Wat zullen wij dan zeggen?Deze vraag wordt voor de zevende en laatste maal gesteld(3:5; 4:1; 6:1; 7:7; 8:31; 9:14,30). De vraag wordt altijd beantwoord door een vollediger uitleg, en zo is het ook hier. We gaan van de discussie over uitverkiezing en goddelijke absoluutheid over naar het feit van de menselijke aansprakelijkheid, iets wat geheel overeenkomt met Gods soevereine uitverkiezing. Alleen verkeerd redeneren maakt ze tegenstrijdig. Ons wordt getoond hoe Israël, in hun ijver voor wettelijke rechtvaardigheid, zondigde tegen de genade en de waarheid. Dit is de grond voor hun verwerping. Het was deze valse ijver die Saulus tot de grootste zondaar maakte. Terwijl sommige Israëlieten zouden veronderstellen dat Gods woord van belofte aan hen vervallen was, antwoordt God dat de Messias, door Wie het verbond gemaakt was, voor hen een steen des aanstoots was. God staat niet terecht; Israël was op de weegschaal gezet en te licht bevonden.

Heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is. Dit kan mogelijk een vraag zijn. Als dit zo is, dan is het antwoord: Ja! Dit brengt ons terug bij het hoofdthema van de hoofdstukken 3 en 4. Rechtvaardigheid door geloof is wat Paulus predikt, zowel aan de Jood als de Griek. Najagen en verkrijgen zijn figuren uit een race. Sommige heidenen, die niet uit waren op het vestigen van een wettelijke rechtvaardigheid, verkregen de rechtvaardigheid die uit geloof is. Sommige heidenen hoorden het evangelie, keerden zich van hun afgoden tot God, en verwachtten Zijn Zoon uit de hemel. Deze geloofden, werden vrijgesproken en rechtvaardig gerekend in de hoogste rechtbank. Al dezen werden in Christus Jezus gedoopt. De heidenen die het evangelie verwelkomden, deden dat als mensen die geen eis bij God hadden. Zij waren voorwerpen van mededogen, alleen gered door genade, en geloofden Hem Die de goddelozen rechtvaardigt.

31.

"doch Israel, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen."
Hoe anders was het uitverkoren volk! Zij streefden er naar hun handen te kunnen leggen op een wet van rechtvaardigheid. Doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Gods rechtvaardigheid is niet iets dat nagejaagd of verkregen kan worden. "Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt." Israël liep, maar kwam niet aan bij het doel, omdat het doel, als zij het najaagden, zich steeds terug trok. Saulus, de Farizeeër, kon zeggen "naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk"(Filip. 3:6). Hij werd niet rechtvaardig bevonden, maar hij werd het door eindeloos najagen. Terwijl de Jood zou kunnen roemen dat alleen hij een wet van rechtvaardigheid najaagde, moesten oprechten zoals Saulus van Tarsus toegeven dat zij dat nooit bereikten. Het voorwerp van hun zoektocht was meer de wet zelf dan het rechtvaardig vereiste van de wet. Ze waren zeer punctueel over rituelen en kleine uiterlijkheden. Zoals veel belijdende Christenen van vandaag, hadden zij vele twijfelachtige taboes, waarvan het houden ervan leidde tot een negatief type moraliteit. Vergeleken met de heiden, waren zij de moreel superieur. Maar zij lieten de gewichter zaken kanten van de wet liggen: recht doen en mededogen en geloof. In hen was geen licht, maar duisternis. De ex-Farizeeër in dit vers voegt zijn getuigenis bij dat van de Heer Zelf over het falen van Israël om de wet te houden. Zij hadden het verbond gebroken.

32.

"Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,"
Waarom vraagt naar de reden voor het vreemde feit dat heidenen zouden moeten houden wat de vurige wetticisten zelf faalden om te doen. Het antwoord is: Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de Steen des Aanstoots. Zij stootten zich niet omdat ze niet-uitverkorenen waren, maar omdat ze de rechtvaardigheid niet in geloof zochten, zoals hun vader Abraham het vond, maar uit werken. Paulus vindt de oorzaak in hun ongeloof. Zij hadden geen rechtvaardigheid, noch waren ze er klaar voor om het als een genadegift van God te ontvangen. Israël stootte zich omdat hun houding naar God die van een Farizeeër was, en niet die van de tollenaar. Elk zei: "Ik ben niet zoals andere mensen." Deze houding was des te meer niet te verontschuldigen, omdat zij in hun Schriften de geschiedenis van hun vaderen lazen, zoals die werd opgetekend onder de wet, die het altijd nodig hadden Gods genade te zoeken voor redding. De psalmist en de profeet spraken van van de zegen voor hen die in Jehovah hun vertrouwen stelden; zij vonden dat Hij "klaar staat om te vergeven en overvloedig is in liefdevolle zachtheid voor een ieder die tot Hem roept."

Eeuwenlange ervaring zou iedere Israëliet de onmogelijkheid van het verkrijgen van rechtvaardigheid door wet geleerd moeten hebben. De geschiedenis van de verstrooiing en gevangenschappen zou het hele volk geleerd moeten hebben dat zij, vanaf de dag dat zij het gouden kalf maakten tot de dag van de kruisiging van Christus, gefaald hadden de wet te houden. Ze waren niet te onderwijzen, daarom was rechtvaardiging uit geloof en afhankelijkheid van God voor hen misselijk makend. En dat is het nog steeds, niet alleen voor de massa van Israël, maar ook voor de andere natiën. Omdat, het moest bewerkt moest door het doen van werken der wet, vertegenwoordigt de opinie van kortzichtige wetticisten, want nooit is de rechtvaardigheid van God door enige menselijke inspanning verkregen. Israël probeerde tevergeefs het onmogelijke. Zulk een houding is niet verenigbaar met geloof. Dit is de reden voor hun val.

Christus, en speciaal Christus als gekruisigde, kon voor een volk dat wilde staan op hun nationale voorrecht in plaats van op de genade van God, niets anders zijn dan een Steen des aanstoots. Paulus' "woord des kruises" was voor hen niet simpelweg een val omdat de Messias aan een kruis verhoogd werd in plaats van op een troon. Het was omdat het vertelde van de kruisiging van de oude mensheid, waarin al Israël's voorrechten te vinden zijn, wat de weg vrij maakte voor een nieuwe mensheid, waarin er geen Jood of Griek kan zijn. Het vereiste een nieuw begin in eenheid met de Gekruisigde en Opgestane. Het bijzonder weerzinwekkende van Paulus' evangelie was dat het de Jood en de Griek gelijk stelde op de gemeenschappelijke noemer van zondaarschap, met het verlies van alle voorrechten. Israëlieten konden het Besnijdenisevangelie aanvaarden en Jood blijven en toch nog vurig blijven voor de wet; maar velen van deze vielen van het geloof af en weigerden afscheid te nemen van de oude orde en stad, en naar Christus te gaan buiten het kamp, Zijn schande dragend.

Wat gruwden deze mensen van het roepen van de heidenen! Zij streefden met zoveel vuur om een reputatie te verwerven om rechtvaardig te worden en prezen hun gevoel van meerderwaardigheid net zo zeer als sommige zogeheten "evangelicals" dat doen. De schrijver is verteld: "Het zou niet fair zijn als God alle mensen zou redden, terwijl wij zo hard ons best gedaan hebben om goed te zijn." De spreker vond dat het een persoonlijk onrecht voor hem zou zijn als God ooit zijn dronken buurman zou redden. Het verminderde de waarde van zijn eigen zuur verdiende rechtvaardigheid. Maar als God werkelijk de dronken buurman tot redding zou roepen en de religionist zou verwerpen, dan zou dat in sommige opzichten net zo zijn als van de verworpen Israëliet en de geroepen heiden, behalve dan dat de religionist niet dezelfde verbondsvoorrechten had als de Jood.

33.

"gelijk geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen."
God had verklaard, wat niet wil zeggen dat Hij het had besloten, dat Israël zich zou stoten. Gelijk geschreven staat. Hun stoten was een morele zekerheid, omdat Israël zo dom was. God gebruikt boze daden en gezindheden van mensen op een wijze dat ze Zijn doel dienen. Soms kunnen we met zekerheid voorspellen wat iemand die we kennen in bepaalde crises zal doen en we kunnen dan plannen maken wat we zullen doen als de crises komt. We kunnen echter niet, zoals God dat welk kan, dit alles perfect ons doel laten dienen.

Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. Het citaat is een combinatie van Jesaja 28:16 en 8:14. Paulus voegt de woorden "op Hem" toe om de nadruk te leggen op de verwijzing in het citaat naar Christus. In de originele passage is de verwijzing naar Jehovah, Die de Steen is, tegen Wie de koninkrijken Israël en Juda zich altijd stootten. Allen die Hem niet eren en gehoorzamen breken zich als een steen op Zijn heerschappij of vallen als in een val. In de Griekse Schrift is Christus de Steen (Matt.21:42; Mar. 12:10; Luc. 20:17; Hand. 4:11). Petrus citeert Jesaja 28:16 zonder het te veranderen. Christus kon niets anders dan een steen des aanstoots zijn voor een volk dat vol was van de gedachte aan zelfrechtvaardiging. In plaats van dat men tot Hem kwam voor rust, waren ze altijd met Hem aan het twisten, Hem veroordelend voor een genezing op de Sabbat, voor Zijn minachting voor traditie, en wat zij Zijn godslastering noemden; Paulus' verkondiging van Christus was voor hen schandalig. Op de vraag van Pilatus: "Wat moet ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?", een vraag die ieder voor zichzelf beantwoordde, riepen zij: "Hij moet gekruisigd worden!" Wat kon zo'n volk anders doen?

Christus is de Val/Steen voor Israël, zoals Hij dat is voor ieder oneerlijk en zelf-misleidde persoon. Mensen nemen nog steeds aanstoot aan Hem, omdat het voorbeeld van het over de hele wereld verspreidde Israël voor hen geen waarschuwing inhoudt. Christus is niet wat men verwacht. Hoe lager Christus zich vernederde om zo onder de zonde van de wereld te kunnen komen en ze weg te kunnen dragen, hoe minder Hij werd gewaardeerd. Hoe dieper de genade zich bukt, hoe aanstootgevender ze wordt voor de zelf-rechtvaardigers. Genade is juist zo aanstootgevend, omdat het genade is en niet een beloning. De aanstoot wordt nog steeds gevoeld door hen die najagers zijn van een Christusloze moraliteit. Ook de Schriften zijn voor velen een val.

Zij die geen aanstoot ondervinden zijn zij die geloven. Het citaat ondersteunt de leer van rechtvaardiging door geloof. Het leert dat geloof voldoende is om rechtvaardig te worden. De gelovige heiden wordt aanvaardt, waar de vurige Jood verworpen wordt. God heeft ons gevraagd Hem te geloven; Hij vraagt nooit om uitverkiezing te zoeken. Dat is geheel aan Hem. De belofte aan iemand die Christus gelooft is dat hij nooit beschaamd zal worden, zelfs niet in de aanwezigheid van God, want hij wordt voor Hem als rechtvaardig gerekend. De Hebreeër zegt: "Hij zal geen haast hebben," dat wil zeggen, met de gedachte aan het vluchten naar een veilige plaats. Hij is één, dat wil zeggen, hij is in Christus. Daar zal hij ondervinden dat zijn vertrouwen niet misplaatst is.

Paulus heeft in dit hoofdstuk laten zien dat redding voortkomt uit de goddelijke gunst en genade. De reden voor uitverkiezing en redding ligt in de vrije wil en genade van God. Gods keuze verklaart de geredden; zij aanvaarden Gods redding alleen als Zijn gunst. Maar niet-verkiezing is de niet de enige reden voor de verwerping van de zelf-rechtvaardigen. De Calvinistische leer van verdoeming vindt in dit hoofdstuk geen ondersteuning. God heeft sommige voorwerpen tot toorn gemaakt, maar Hij legt de schuld op de mensen die verworpen worden. De zelf-rechtvaardige natie kan alleen in lege handen geplaatst worden. De verwerping van Israël wordt niet zo zeer aan hun andere zonden toegeschreven, als wel aan hun koppige ongeloof.





Dit artikel is afkomstig uit U.R.Magazine, jaargang 28, pagina 275.
Uitgave van Concordant Publishing Concern

Voor meer delen uit deze serie, klik hier



www.schriftwoord.nl