Notities bij de brief aan de Romeinen
deel 5
door G.L.Rogers

Tegenwerpingen onterecht bevonden.
Hoofdstuk 3:1-8
In deze korte beschouwing wordt ons niet toegestaan het doel van het hoofdbetoog van dit deel te vergeten(1:18-3:20), wat is: te bewijzen dat Joden en heidenen die, tegen gegeven inzicht in, hebben gezondigd, bloot staan aan Gods verontwaardiging en Zijn redding nodig hebben. Pogingen om aan de conclusies uit hoofdstuk 2 te ontsnappen worden in een samengeperste dialoog gepresenteerd en door ons als volgt geparafraseerd:
1. Aangezien u ontkent dat ons religieus verschil enig bescherming biedt tegen oordeel, wat is dan het voordeel ervan?
Het antwoord is dat er heel veel voordeel in zit, omdat aan Joden bepaalde woorden en beloften zijn gegeven(1-2).
2. Kunnen deze beloften door ongeloof van sommigen verloren gaan?
Doet ongeloof de trouw van de Belover te niet? Paulus roept uit: "Volstrekt niet!" God is trouw, zelfs als alle anderen ontrouw worden, en Zijn methode van oordeel zal gerechtvaardigd worden en Zijn karakter zal blijven bestaan als waar en rechtvaardig(3-4).
3. Als Gods rechtvaardigheid overvloediger wordt door onze onrechtvaardigheid, kan Hij dan ons wel rechtvaardig straffen?
Ja, Hij kan en zal uw verdorvenheid en lastering oordelen en daarbij voor Zichzelf grote heerlijkheid verwerven(5-8). Hij weerspreekt beslist ieder argument, Zijn trouw en waarheid en de heerlijkheid van Zijn rechtvaardigheid als een treffend contrast stellend tot de zekere veroordeling van het ongeloof, valsheid, onrecht, en onoprechtheid van de tegenwerper.

1-2.

1 Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis?
2 Velerlei in elk opzicht. In de eerste plaats toch dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.
De geestelijk doden hangen altijd zeer stevig aan uiterlijke verschillen. De Jood heeft te veel verwacht van uiterlijkheden, en wanneer hij ontdaan is van het laatste restje van veronderstelde rechtvaardigheid door riten, dan wil hij weten wat nu precies aan hem als Jood toebehoort. Zeer volhardend vraagt hij "Wat is dan het voorrecht van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis?". Indien een wet-houdende heiden beter is dan een wet-brekende Jood, indien overtreding besnijdenis tot onbesneden zijn maakt, indien de onbesnedenen onder hen die aan de rechtvaardige eisen van de wet voldoen tot de besnijdenis wordt gerekend, zodat de gehoorzame Onbesnedenheid de ongehoorzame Besnedenheid zal beoordelen, wat stellen dan de God-gegeven verschillen van Jood-zijn en besnijdenis voor? Waarom koos God een volk, scheide Hij dat af en zonderde Hij het af, en gaf aan hen de besnijdenis als teken van een voortdurend verbond? Als de Jood, die van God lof ontvangt, een innerlijke is, en er is een besnijdenis van het hart en geest die behoort tot hen die niet besneden zijn in het vlees, wat is dan de waarde van Jood-zijn en besnijdenis in het vlees? De Jood had hierin geen bescherming gevonden tegen de nationale oordelen. Ze weerhielden hem niet van ballingschappen en dienstbaarheden aan de volkeren, net zo min als ze hem zullen beschermen tegen het toekomstige oordeel van God.
Hebben ze dan geen enkele waarde? Op deze vraag zal misschien de meerderheid van hen die de Schrift lezen zeggen: Nee, geen enkel. Maar Paulus' geïnspireerd antwoord is: Velerlei in elk opzicht. Niemand beter dan hij wist van de waarde van deze uiterlijke privileges. Het zijn God-gegeven verzekeringen van onvoorwaardelijk beloften en van een verbond. In deze aan de heiligen in Christus geadresseerde brief, beweert Paulus dat Joden als zodanig bepaalde onvervreemdbare voorrechten hebben.

In de eerste plaats.... de woorden Gods. Dit betekent veel meer dan dat Israël het kanaal en de bewaarder was van goddelijke onthulling, zoals die in de Hebreeuwse geschriften is gegeven. Het betekent dat, zelfs in een dag waarin de volkeren Zijn compleet gemaakte Woord hebben en onafhankelijk Israël gezegend worden, de woorden van God het onvervreemdbaar bezit zijn van de Joden, aan wie alleen ze werden beloofd en aan wie alleen ze kunnen worden vervuld. De woorden waren directe uitspraken van God aan Israël, niet hoofdzakelijk wetgevend, maar profetisch en belovend, waardoor Israël "een toekomst en een verwachting" heeft. Ze werden in het bijzonder aan Israël gegeven en kunnen niet door de kerk vervuld worden. De woorden hebben het niet over de hedendaagse kerk; ze spreken van een koninkrijk waarin de Joden hun ras, godsdienst en nationaal leiderschap als het gekozen volk zullen bewaren. Toegeven dat God hén deze woorden gaf is het bewijs dat er veel voordeel zit in het besneden Jood zijn. Als Paulus alleen bedoelt dat het bewaarderschap van de heilige literatuur het voorrecht van de Joden was, een privilege dat de volkeren nu delen, dan is hij er niet in geslaagd de vraag te beantwoorden. Maar het noemen van woorden die alleen Israël aangaan, bevredigt de opponent, zodat Paulus het opnoemen van andere voorrechten kan laten liggen tot hoofdstuk 9:4-5 en doorgaan met een andere tegenwerping.

3-4.

3 Wat toch is het geval? Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen?
4 Volstrekt niet! Maar het blijve: God waarachtig en ieder mens leugenachtig, gelijk geschreven staat: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in uw woorden, en overwint in uw rechtsgedingen.
Maar hoe staat de zaak er voor als sommigen(eigenlijk: de massa) het niet gelooft? Werd de waarheid van deze woorden afhankelijk gemaakt van het geloof van het volk, of zijn ze afhankelijk van de trouw van God? Zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? Volstrekt niet! Deze uitspraak van afkeer, waarin zijn morele geweten zonder argument datgene afwijst wat hij als schadelijk en oneerbiedig beschouwt, wordt door Paulus zo'n veertien maal gebruikt. God is getrouw en ondanks het ongeloof van de mens blijven de woorden overeind, omdat Gods karakter ze legaliseert. De waarheid van God is buiten kijf: God waarachtig en ieder mens leugenachtig(4).

Indien niet een paar, maar iedereen ongelovig zou zijn, dan zou hun ongeloof bewijzen dat ze het fout hebben, terwijl Gods trouw Hem als waar zou laten zien. God is waar, daarom zullen Zijn woorden over Israël nog hun vervulling vinden. Het citaat van de woorden van de berouwvolle David(Psalm 51:4) ondersteunen de verklaring dat God waar is, en dat tegenover allen die Hem onder oordeel zouden willen brengen. Eenmaal overtuigd en veroordeeld, neemt David plaats aan de zijde van God en verklaart hij dat God altijd waar is, iets wat Hij moet zijn om God te zijn. Iedere keer dat Hij geoordeeld wordt, zal Hij overwinnen en van blaam gezuiverd worden. Zo zeker als God een positief oordeel van David kreeg, zo zeker zal Hij, wanneer zij geoordeeld worden en "fout" bevonden, een gelijksoortig oordeel krijgen van Zijn ergste vijanden. Israël zal God van blaam zuiveren in de dag van hun overtuiging en berouw.

De hoofdstukken 9-11 zijn geschreven om de omgang van God met de mens te rechtvaardigen. God onderwerpt Zijn werken en manier van handelen aan het morele oordeel van de mens, en zelfs terwijl Hij hen veroordeelt, verlangt Hij, en niet zonder resultaat, er naar dat Hij door hen van blaam wordt gezuiverd. Bij de voleinding zal Gods aionische doelstelling en Zijn methode om die te bereiken universeel applaus krijgen. Geloof is voor God een kostbaar goed, omdat het zelfs, terwijl wolken en duisternis Hem omringen, nu Zijn naam zuivert. Ware vroomheid is altijd gericht op het rechtvaardigen van God en de mens zelf te veroordelen. Davids zonde schiep de gelegenheid voor de manifestatie van zowel de trouw als de rechtvaardigheid van God. Rechtvaardig in het uitvoeren van een verschrikkelijke bestraffing terwijl Hij vergaf, en trouw omdat "de zekere genaden aan David" bleven en later vervuld begonnen te worden bij de komst van het Zaad van David.

Paulus heeft nu gewaarschuwd tegen een serieuze verdraaiing van zijn woorden in 2:28,29. Had hij gezegd dat woorden die uiterlijk aan de Joden werden gegeven verloren gingen door ongeloof en dat gelovige heidenen ze hadden opgevolgd, dan zou de Jood terecht kunnen antwoorden: "Dat werpt de rechtvaardigheid en het geloof van God omver." De Jood wist dat bepaalde beloften aan hem werden gegeven en niet aan de gelovige heidenen. Indien iedere Jood een leugenaar zou blijken te zijn, aan wie zou God dan Zijn beloften moeten vervullen? Zelfs aan zulke leugenaars als Abraham, Izašk, Jakob en David; want dit is het niets-belovende materiaal waaruit God heiligen maakt. Deze woorden beloven dat de Jood tot bekering en geloof zal komen. "God heeft aan allen die zich bekeren vergeving beloofd, maar Hij heeft geen bekering beloofd aan allen die zondigen," zei ooit een puriteinse spreker. Maar Hij heeft Israël bekering toegezegd(Zach.12:10-13:1; Hand. 5:31). Uiterlijk Jood-zijn en besnijdenis in het vlees zijn Gods waarborg dat de natie rechtvaardig zal worden, een naar binnen gekeerde en geestelijke waarheid.

5.

5 Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen (ik spreek op menselijke wijze) soms onrechtvaardig?
Door de Jood, die voortgaat in zonde maar toch probeert het oordeel te ontlopen, wordt nog een ander schoonschijnend argument gepresenteerd. Hij besluit dat zijn onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid bevestigt en dat zijn ongeloof Gods trouw doet uitblinken. De overeenkomst tussen de termen is opmerkelijk; "ongeloof" is "onrechtvaardigheid", en het "geloof van God" is "rechtvaardigheid". Heeft ons ongeloof Hem niet een gunst gedaan? Als Hij door onze zonde de heerlijkheid van Zijn rechtvaardigheid vergroot, "wat zullen wij dan zeggen? Is God, die zijn toorn doet voelen, soms onrechtvaardig?" De vraag verwacht een negatief antwoord, maar toch suggereert ze dat het onterecht zou zijn zonde te bestraffen die Hij voor Zijn eer gebruikt, en daarom zou het onmogelijk zijn zulke zonde met straf te vergelden. Paulus bevestigt de veronderstelling, maar ontkent de conclusie. Het belang van de vraag is deze: God is rechter; een rechter moet rechtvaardig zijn! Daarom is God rechtvaardig. Als dat dan zo is, hoe kan Hij dan rechtvaardig dat straffen dat Zijn eigen rechtvaardigheid bevordert? Ik spreek op menselijke wijze, die het verschil tussen God en zichzelf is vergeten. Paulus is vol afschuw bij de gedachte "God" en "onrechtvaardig" in één zin te zetten.

6-8.

6 Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?
7 Maar, indien de waarachtigheid Gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld?
8 Het is toch niet, zoals men van ons lastert en sommigen ons laten zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome? Het oordeel over dezen is welverdiend.
We hoeven het niet eens te zijn met zo'n conclusie, waarom zou anders God de wereld oordelen? Het is fundamenteel dat God niet onrechtvaardig kan zijn en dat Hij de wereld zal richten. "Zal niet de Rechter van allen de aarde recht doen?" Dit is een waarheid waarover niet gediscussieerd hoeft te worden. Als het een feit zou zijn dat God de zonde niet kan oordelen en bestraffen, die een achtergrond is voor Zijn rechtvaardigheid, dan zouden alle oordelen onmogelijk zijn, want God gebruikt alle zonde van de wereld om Zijn rechtvaardigheid te verheerlijken. Maar het tegendeel is waar: "Want God zal elke daad doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad."(Pred. 12.14;NBG). Dit is het ad hominem argument. Hij draait het pleidooi om, tegen de Jood, die niet zou willen dat de onbesneden heiden onbestraft zou blijven. Het pleidooi dat hij voor zichzelf houdt is net zo goed toepasbaar op heidenen. Van de conclusie uit hoofdstuk twee is geen ontsnapping mogelijk.

In vers 7 past Paulus het pleidooi van de Jood toe op zijn eigen zaak. Hij leent hun veronderstellingen dat hij een afvallige, een deserteur is en een leugenaar, en laat dan zien hoe, als dit waar zou zijn, hun pleidooi hem zou beschermen. "Maar, indien de waarachtigheid Gods door mijn leugen des te overvloediger is gebleken tot zijn heerlijkheid, waarom word ik dan nog als zondaar geoordeeld?" Jullie hebben terecht begrepen dat God Zijn waarheid overvloedig zal maken in wat jullie als mijn leugen afschilderen; waarom, als Hij er zo mee omgaat zodat mensen de perfectie van Zijn waarheid zullen bewonderen, verkneukelen jullie je dan over het vooruitzicht van mijn oordeel en bestraffing? Zijn jullie besneden Joden? Ik ook! Ben ik een groter zondaar dan jullie, dan zal God temeer verheerlijkt worden. Waarom verwachten en onderschrijven jullie dan met leedvermaak Gods verwachte veroordeling van mij?
Hun pleidooi is absurd en slaat naar hen terug als een boemerang. De stelling dat mijn leugen zal bijdragen aan Gods heerlijkheid is waar; maar het sluit het andere niet uit, namelijk: ik zal als zondaar worden geoordeeld. Paulus zal natuurlijk niet werkelijk in het oordeel komen, want hij beschouwt op dit moment alleen de lastering van zijn vijanden, alleen opdat hij de bordjes zou mogen verhangen.

En verder, als jullie pleidooi waar zou zijn, wat zouden we dan nog zeggen, "Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome?" Zo belasterden en karikaturiseerden ze Paulus, en verklaarden hiermee dat hij leerde dat de mensen moesten zondigen, opdat de genade overvloediger zou worden(6:15). Paulus verwerpt de hatelijke verdraaiingen, maar wijst er op dat dit precies hun eigen pleidooi was: Laten we onrechtvaardig zijn, opdat we Gods rechtvaardigheid groter maken. Zo ontmoeten de uitersten elkaar in de excuses van de Jood zelf en zijn beschuldiging van Paulus. Hij spreekt zichzelf vrij van bestraffing - want God zorgt er voor dat kwaad uitkomt in goed, terwijl hij Paulus valselijk beschuldigt van het onderwijzen van precies dat en hem daarvoor veroordeelt.

"Het oordeel over dezen is welverdiend." In dit geval komt oordeel overeen met niets minder van veroordeling. Het valt zwaar op hen die Gods evangelie en apostelen lasteren door de hatelijke leerstelling in zijn mond te leggen, die werkelijk de verdorven redenering belichaamt waarmee ze proberen veroordeling te ontlopen.
Zo zijn de drie pleidooien voor immuniteit van oordeel en verontwaardiging in duigen gevallen: het pleidooi van het beërfde privilege, het pleidooi dat ongeloof wordt beschermd door Gods trouw, en het pleidooi dat hun onrechtvaardigheid, waarmee God Zichzelf verheerlijkt, niet strafbaar is. Dat God de zonde dienstbaar maakt aan Zijn doelstelling en doet bijdragen aan Zijn heerlijkheid is een waarheid die veelvuldig geïllustreerd wordt in de geschiedenis; maar dat dit feit de zondaar nooit afschermde is net zo duidelijk. Terwijl, door middel van de zonde der wereld, God Zijn genade en wijsheid opvallend heerlijk maakt, wordt diezelfde zonde ook gebruikt om Zijn verontwaardiging ten toon te spreiden en Zijn macht om te straffen bekend te maken. Gods rechtvaardigheid zal worden verheerlijkt in Zijn oordeel van de juist de zonde die de genade haar kans gaf.

Gods oordelen zijn tot lof van de heerlijkheid van Zijn rechtvaardigheid. Heel Zijn schepping en handelen is gemaakt om Hem te verheerlijken, en heiligen worden verzekerd dat zij Hem mogen verheerlijken door de gehoorzaamheid van hun geloof(Rom.4:20; 1Kor.6:20; 10:31; Pilip.1:11;Joh. 15:18). De tegenstander wordt geantwoord, maar niet het zwijgen opgelegd. Paulus is zich altijd bewust van een tegenstander in zijn publiek. Een nauwkeurig lezen van de vragen in deze brief onthult de grote en steeds wijder wordende kloof tussen Paulus en het Judaïsme. De tegenwerpingen zijn zodanig dat ze niet ingebracht zouden kunnen worden tegen de leer van de Twaalf en "het evangelie van de besnijdenis".

Het getuigenis van de Schrift
Hoofdstuk 3:9-20

9.
9 Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld? In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn,
"Wat dan?" Kunnen we dan geen bescherming vinden in onze privileges? "In geen enkel opzicht; wij hebben immers tevoren Joden zowel als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn." Beide hebben de waarheid weerstaan en zijn in gelijke mate onder het beheer van de zonde gekomen. Het allesbeslissend bewijs wordt gegeven in de taal van de inspiratie. Verschillende schriftgedeelten zijn aangepast en verweven in een "mozaÔek van zonde". Het is een samengesteld beeld van de mensheid, waaraan ieder individu een weinig of veel bijdraagt. In Psalm 14 wordt Jehovah voorgesteld als Iemand Die vanuit de hemel naar beneden kijkt om te zien of er iemand is die zo verstandig is dat hij Hem zoekt. Het beeld is dat van de mensheid, gezien door het oog van God. Hij ondervindt dat er niemand rechtvaardig is, ook niet één! Hier verandert Paulus, geleidt door de geest, het woord "goed" in "rechtvaardig", om zo beter overeen te komen met de onderhavige stelling. De waarheid van het getuigenis behoeft geen bewijs. Ze wordt overvloedig ondersteunt door de alledaagse ervaring, uitgedrukt in feiten zoals Diogenes' zoektocht, midden op de dag, met een brandende lantaarn, naar een eerlijk mens. In plaats van een zoektocht naar God te maken, mijden allen Hem. De tragedie hierin is te zien wanneer we er aan worden herinnerd dat alle de ellende van de men voortkomt uit zijn wegvallen van God. Zo werden ze allemaal nutteloos, zoals bedorven voedsel.
Het gedrag van de mens, zoals gezien in zijn spreken(13-14) en handelen(15-17) wordt nu bekeken. Nergens is onrechtvaardigheid zo duidelijk aanwezig als in onze misbruik van de nobele kunst van het spreken. Keel, tong en lippen ventileren de boosheid van harten die wreedheid en bedrog koesteren. "Hun keel is een open graf", een uitademen van de stinkende massa van rottende karkassen. Deze spraakfiguur is in het geheel niet te krachtig om de hoeveelheid van vuige en kwade taal te beschrijven die dagelijks wordt gebruikt. Is het spraakgebruik van gelovigen vrij van boosaardigheid en de geur van de dood? "Met hun tong plegen zij bedrog", zo worden ze door veel oefening vakkundig in valsheid. Groot is het gevaar van een gladde tong, want "wanneer de wolf het lam likt, is hij bezig zijn tanden voor te bereiden om ze nat te maken in het bloed." Bij het gebruik van vleierij of van kwaadsprekerij ligt het addergif onder hun lippen. Mensen zijn net als adders producenten van zulk gif. Het ligt achter onze lippen, klaar voor gebruik, en we gebruiken het snel, bij de minste of geringste provocatie. Het voorkomen van wrede spraak en laster wordt verklaard door het feit dat de Lasteraar vele zonen heeft; Hij heeft ons geïnjecteerd met zijn eigen gif. Waar is degene die nooit iemand die hij niet mag heeft gelasterd? We gaan van kwaad tot erger.
Onze Heer was hieraan niet schuldig, want Hij deed geen kwaad, noch werd er ook maar een klank van bedrog in Zijn mond gevonden. Bedrieglijk spraakgebruik wordt door de kundigen en lafaards gebruikt, terwijl geweld karakteristiek is voor de grove en brutale mens. Van hen wordt gezegd: "hun mond is van vloek en bitterheid vol", God en de mens vervloekend en grauwend tegen alles wat goed is. Dit type mens roemt over zijn eigen openhartigheid. Bitterheid wordt gevonden in het spreken van hen die, naar zij geloven, worstelen voor de waarheid. Bevrijdt te worden van zulk een kwaad gebruik van spraak is een grote redding!

15-17.

15 Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten,
16 verwoesting en ellende zijn op hun wegen,
Het handelen van de mens is net zo schadelijk als zijn spreken giftig of beledigend is. Iedere uiting van haat en jaloezie is het begin van moord. Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten. Zie hoe met welk een gemak een volk tot een onbedwingbaar verlangen naar bloed opgewekt kan worden. Gezegend is het volk dat geen geschiedenis heeft, want alleen dan heeft het geen verslagen van twist en ellende. "Glorie" wordt nationaal en individueel te veel verworven door moord en plundering. De sterken maken vaak gebruik van het pad van geweld en laten een spoor van kneuzingen en ellende achter. Het pad van de vrede is onbekend; ja, zachtmoedigheid wordt als onmannelijk gezien. Indien vredesverdragen een tijdelijke vrede tussen natiën zouden kunnen veiligstellen, dan zou er in iedere sociale groep nog de noodzaak zijn voor vredestichters. De oorzaak en verklaring voor dit gedrag is deze: De vreze Gods staat hun niet voor ogen. Ze hebben nog niet eens een begin van wijsheid en kennis! Dus ook nu weer is onrechtvaardigheid terug te voeren op oneerbiedigheid(1:18). Dat mensen God en Zijn redding nodig hebben wordt in iedere zin geciteerd. De mens zal niet met deze verklaring van de oorzaak van zijn misdragen instemmen, maar ze getuigen van de waarheid van de beschuldiging in zulke gezegden als: Ieder mens heeft zijn zwakke kant en Vergissen is menselijk. Grote romanschrijvers zetten nooit een ideaal karakter neer, en Carlyle, die biografieën van echt grote mannen schreef, kreeg telkens weer een afkeer van zijn helden, al voordat hij zijn taak had volbracht. De volgende voorbeelden van bekentenissen zeggen meer dan genoeg om te veroordelen:
Seneca zei: "We zijn allen boosaardig. Wat men een ander kwalijk neemt, vindt men in eigen boezem. We leven tussen de boosaardigen, terwijl we zelf net zo zijn."
Cicero: "De natuur heeft ons een flauwe vonk van kennis gegeven; we doven die uit door ons immoreel gedrag."
Goethe: "Ik zie niets gedaan worden dat ik ook niet zelf heb gedaan."
Samuel Johnson: "Ieder mens kent iets van zichzelf dat hij niet aan zijn beste vriend zou durven vertellen."
Zulke citaten kunnen in veelvoud worden aangevuld. Paulus citeert voorbeelden die representatief zijn van het uniforme getuigenis van de geïnspireerde Schriften, en als deze onderlijning in dikkere lijnen wordt getrokken dan die in de hierboven geciteerde bekentenissen, dan is dat vanwege het heldere licht waarin ze worden gezien. De Schrift zelf kan niet in grotere diepten gaan dan de bekentenissen van sommige heiligen dat doen. Het is spijtig voor de man die de waarheid van zulke schriftplaatsen niet heeft ingezien, want hij die voor God van zijn rechtvaardigheid wil spreken, kent God noch zichzelf.

19.

19 Nu weten wij, dat de wet, bij al wat zij zegt, tot hen spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde voor God,
De praktijk van het verwijzen naar andermans woorden, met het doel hen schuldig te verklaren, begon niet bij onszelf. Voor de Jood betekende "de bozen" in de Schrift de volkeren, die hij zag als de vijand. Hij stelde het voorbeeld door de zegeningen van de wet voor zichzelf te houden en de vloeken van de wet over te dragen aan de natiën. Maar voor zover de wet iets zegt, zegt ze het tegen hen die onder de wet zijn! "Wet" wordt hier gebruikt voor de Hebreeuwse Schrift in het algemeen, want daarin krijgt de wet van Mozes een lange en verhelderende uiteenzetting en toepassing. Zij leggen het gebruik en bestraffing van het volk onder de wet vast en tonen de vervulling van het doel van de wet, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde voor God. De wet was aan Israël gegeven, na hun verlossing uit Egypte, zodat een volk dat godsdienstig zo bevoorrecht was geworden, overtuigd zou kunnen worden van hun boosaardigheid, die net zo groot was als die van de heidenen. De heidenen tot zwijgen brengen was een betrekkelijk gemakkelijk karweitje, maar tot op heden is het overtuigen van een godsdienstige zondaar praktisch onmogelijk, vandaar de noodzaak van deze lange demonstratie en de nooit ophoudende toepassing van de wet. Pas op het moment dat iemand ophoudt zichzelf te rechtvaardigen, zal hij in staat zijn de rechtvaardigheid van God te ontvangen. Volkomen zonder verdediging staan en onderworpen aan het rechtvaardige oordeel van God worden, dat is een voorwaarde waaraan iedere Jood én heiden vroeger of later aan zal moeten voldoen. Gezegend is de mens die al op deze manier voor het gericht van God heeft gestaan. Voor hem is het evangelie leven en kwijtschelding, terwijl anderen, die tevergeefs een schuilplaats zoeken in de een of andere leugen, voortgaan op hun onwetend pad dat leidt naar ontgoocheling en het opblazen van ieder voorwendsel van goedheid, in de dag van Gods verontwaardiging.

20.

20 daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want wet doet zonde kennen.
Dit vers benadrukt het feit van de hulpeloosheid van de mens en gaat verder met het verklaren van het doel van de wet. Wanneer iemand beschuldigd wordt van falen, dan zoekt hij verbetering door het doen van werken der wet. Indien hij serieus is, dan zal hij snel ondervinden dat de wet hulp weigert en zijn ellendige toestand juist verergert, want uit werken der wet zal geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden. Ze ontzegt de beschuldigde zondaar het enige dat hem kan helpen: rechtvaardiging. Het alternatief is veroordeling, en de wet is bedoeld als bediening van veroordeling en dood. Want wet doet zonde kennen, ze brengt geen verlossing. "Kennen" is hier sterker dan kennis. In dit geval is het een kennis die leidt tot een bekend worden met de enormiteit en ramp van de zonde. God stelt een onbuigbare en absolute standaard van "goed" naast de "verkeerde" mens, en maakt conformiteit met de wet als voorwaarde tot leven(Lev.18:5; Gal.3:12). Zijn doel met het geven van de wet wordt alleen bereikt wanneer mensen bewust zijn van hun hulpeloosheid, zonder verdediging en onder de vloek van de wet. De wet laat zonde zien, maar verwijdert ze niet.

De wet is een prima spiegel, maar niemand haalt het in z'n hoofd zich met een spiegel te wassen. Heeft Paulus in heel dit betoog niet aangetoond dat de mens geoordeeld en beloond zal worden in overeenstemming met hun handelen(2.6,26,27)? Hij heeft laten zien dat het zowel nu als in het oordeel voordelig is moreel te zijn, in plaats van immoreel. Maar hij liet ook zien dat allen gezondigd hebben en dat geen werk der wet kan rechtvaardigen van de aanklacht van oneerbiedigheid, onrechtvaardigheid en oneerlijk omgaan met de waarheid. Ieder mens krijgt voordeel uit een kuis en rustig leven, zelfs al is hij een inbreker, maar geen enkel gerechtshof zou hem op deze gronden vrijspreken van de aanklacht van inbraak.

Paulus heeft zich bezig gehouden met beërfde zonde en dood; dat onderwerp wordt pas aangesneden in hoofdstuk vijf. Hoewel we kinderen zijn, niet zonen der verontwaardiging, is onze aanklacht niet op dat feit gebaseerd, maar op de daden van weerspannigheid ten aanzien van de waarheid. Niets dat nadien in deze brief wordt onderwezen mag als pleidooi gezien worden voor de verzachting van onze zonden. Ieder pleidooi dat er ook maar iets mee te maken had is naar voren gebracht en behandeld. Vooruitlopen is een zeer slechte vorm van exegese en kan alleen dienen om het doel van deze onthulling, die toont dat iedereen het evangelie nodig heeft omdat hij persoonlijk gezondigd heeft, teniet te doen. Gods verontwaardiging is geen voorbijgaande stemming. Het is de strijd van Zijn rechtvaardigheid en heiligheid tegen de zonde, zo lang als die blijft bestaan. Ze opereert in een bediening van genade, zo waar als Zijn liefde blijft bestaan in de dagen van het oordeel. Redding verlost ons allereerst van verontwaardiging(5:9) en ten tweede verlost het ons van de dingen die deze verontwaardiging opriepen. De waarheid van dit deel van de brief aan de Romeinen moet verkondigd worden tot de resultaten die ze beoogt bereikt zijn. In dagen waarin religieuze leiders de vraag bediscussiëren: "Is zonde uit de tijd?", moeten we bij Gods reactie hierop worden gebracht. Waar geen zonde is kan ook geen redding zijn, waar geen verontwaardiging geen verlossing; als de mens rechtvaardig is, dan heeft hij de rechtvaardigheid van God niet nodig. Onze studie is voor niets geweest als ze ons niet verwachtingsvol heeft doen kijken naar Gods macht tot redding.




Dit artikel is afkomstig uit U.R.Magazine, jaargang 20, pagina 281. Uitgave van Concordant Publishing Concern

Voor meer delen uit deze serie, klik hier


www.schriftwoord.nl