Notities bij de brief aan de Romeinen
deel 77
door D.H.Hough


Het geloof dat gij hebt.

Romeinen 14:22, 23

"22 Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht.
23 Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde. "
Wij geloven dat God een klinkende overwinning heeft behaald door de dood en opstanding van Zijn Zoon, de Heer Jezus Christus. Wij geloven dat God alles bewerkt, en dat Hij dit rechtvaardig doet en daarom alles ten goede is. En wijzelf? Wij kunnen niets toevoegen aan wat aan het kruis is bereikt en alleen antwoorden met dankzegging en met gedrag dat Gods genade weerspiegelt, omdat Zijn geest in ons werkt.

Maar zowat alles wat we zien en ervaren in het vlees spreekt dit geloof tegen. Niet alleen dit, maar zelfs onze mede-gelovigen spreken vaak de volste gevolgen van het evangelie tegen en soms zelfs gaan ze er tegen in. En het meest verontrustende van alles is dat we vaak de woorden van de vader wiens zoon bezeten was uitroepen: " Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!"(Mar. 9:24). Maar op deze manier leren we wel wat een echt genadevolle geschenk het is dat we in Hem mogen geloven(Filip. 1:29).

Zo door Romeinen 14 gaande kunnen we het gevoel gekregen hebben dat er meerdere nadelen zijn aan ons hedendaags geloof, in het bijzonder voor de volwassenen in het geloof. Zij die erkennen dat voedsel, het vieren van dagen en andere zaken die in de Mozaïsche wet genoemd worden, ons geen plaats voor God geven, moeten hen die zwak zijn in het geloof, en die deze waardering niet bezitten, niet minachten(14:3). Hoe sterker ons geloof, hoe voorzichtiger we zullen moeten zijn, zodat we niet een struikelblok voor een broeder zullen plaatsen(14:13). We zullen onze vrijheden moeten inperken als blijkt dat dit nodig is voor het goede van anderen. We zullen niet snel onze daden verdedigen, zelfs wanneer we onterecht kritiek ontvangen, maar we zullen tevreden zijn met de wetenschap dat God in onze harten kijkt.

De blije gelovige.
22.

"Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. "
Dit lijkt ons pad alleen maar moeilijker te maken. Zij die het gelovigst zijn, zijn zij die het meest hun best doen om geduldig en tolerant te zijn tegenover hen die onvolwassen zijn. Zij zullen genadevol en mild zijn wanneer ze kritiek ontvangen. Dit is niet gemakkelijk voor het vlees.

Maar toch is het voor hen die wandelen naar de geest geen zware last(Rom. 8:1-14). Ons geloof is niet een harde opziener, maar een zachtmoedige kracht die ons in toenemende mate vult met blijdschap en vrede, omdat we ons steeds meer bewust worden van haar belang. De blije mens is er een die gelooft en wandelt naar zijn geloof.

Het is geen teleurstelling om te zeggen en te geloven:

" Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is."
(1Kor. 10:23,24)
In feite is het een voorrecht en een genoegen om genadevol te handelen, want ook God handelt, in Christus, genadevol met ons(Efe. 4:32).

De terminologie die hier in Romeinen 14:22 en 23 wordt gebruikt is geleend uit de vroege hoofdstukken van de brief, waar het evangelie gepresenteerd wordt. Dit is belangrijk, want onze wandel en ons dienstbetoon is volledig gebaseerd op de boodschap van genade en vrede en dient in gelijksoortige termen uitgedrukt te worden. Geloof heeft een kenmerkend belang in het evangelie en ook in ons gedrag; blijdschap is karakteristiek voor de onthulling zowel als voor ons dienstbetoon; toekomstig oordeel en veroordeling zijn voor hen die geroepen zijn uitgesloten, en huidig zelfonderzoek en gevoelens van veroordeling en schuld worden weggenomen uit de dagelijkse levens van hen die geleid worden door Gods geest. In wat nu volgt zullen we een paar van de verbindingen opmerken die Romeinen 14:22,23 hebben met de hoofdstukken 1 tot en met 8.

Geloof hebben.
Welk geloof hebben we? In Romeinen 4:5 wordt het beschreven als "maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt;" dit is ons geloof en het wordt ons toegerekend als rechtvaardigheid. Wanneer we goddeloosheid zien, zoals we dat voortdurend rondom ons doen, dan herinneren we ons dat God het zal wegdoen; maar Hij zal ook ieder goddeloos persoon, wie het ook zijn moge, in de rechtvaardigheid brengen. Dat mag misschien een roekeloos en gevaarlijk standpunt zijn, maar we hebben dit bewijsmateriaal dat er voor spreekt: dat wij zelf nu gerechtvaardigd worden in het bloed van Christus(Rom. 5:9).

Daarom zijn er situaties waarin de volwassen gelovige zijn vrijheid in Christus niet zal uitoefenen. Dat kan leiden tot een bepaalde mate van eenzaamheid; mildheid wordt zelden begrepen en vrijwel altijd misverstaan. Maar dat kan geen grote droefheid opwekken, want naar de geest van het zoonschap(Rom. 8:15) zijn we ons er van bewust dat onze Vader onze harten doorzoekt(8:27). Wij hebben ons geloof niet alleen door onszelf, maar hebben het voor het aangezicht van God.

De zinsnede "voor het aangezicht Gods" kwam eerder in Romeinen voor in een heel andere context. In 3:20 zei Paulus dat "uit werken der wet geen vlees voor Hem[d.w.z. voor Gods aangezicht;WJ] gerechtvaardigd zal worden." Ons geloof rechtvaardigt ons ook niet, we worden gerechtvaardigd door het geloof van Jezus Christus, maar de waarde er van wordt vermenigvuldigd in het bewustzijn dat God ziet dat we geloven.

De apostel legt de nadruk op de voordelen van geloof, en in het geheel niet op een paar vermoedde schaduwkanten. Blij is hij die in deze geloofszaken, die hij aan het testen is, niet zichzelf oordeelt. Ons geloof spreekt van onze blije positie voor God(Rom. 4:6-9), en de waardering van deze blijdschap leidt ons naar een blije situatie in ons dagelijks leven. We worden niet geplaagd door twijfels over de afdoendheid van onze werken en dienstbetoon, omdat we ons er van bewust zijn dat God alles doet medewerken ten goede van ons en dat niets ons kan scheiden van Zijn liefde.

Het woord "oordelen" komt vaak voor in Romeinen, in het bijzonder in Romeinen 2, waar de oordelen van God vergeleken worden met die van de mens. God oordeelt in overeenstemming met de waarheid(Rom. 2:2), wat ons laat zien dat de gedachte aan een diepgaand en nauwkeurig onderzoek door dit woord wordt aangeduid. Het is zeker een welkome situatie dat we dit werk kunnen overlaten aan God en we verlost zijn van voortdurende zelfonderzoeken en twijfel. Wat is het een vreugde dit te mogen weten: "Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn"(Rom. 8:1).

Dat wat we aan het beproeven zijn, werd als "de wil van God" gepresenteerd in Romeinen 12:2. Eerder in Romeinen klaagde Paulus de mensheid aan met een falen "om God te testen en Hem erkentelijk te zijn"{letterlijk naar het Grieks!;WJ], maar gelovigen onderschikken onszelf aan de indrukken van Gods wil, zoals onthuld in het evangelie. Vrijwel dezelfde gedachte wordt in Efeze 5:1,2 naar voren gebracht, waar Paulus ons uitnodigt imitatoren van God te worden... en te wandelen in de liefde, naar het patroon van Christus' offer. De volwassen gelovige wandelt in dit patroon, en Hij dient zijn Heer op deze wijze. Hij weet dat het de juiste manier is, want het is het patroon dat Christus gaf door Zichzelf voor ons over te geven als een offer voor God, als een doordringende geur.

23.
De ongelukkige twijfelaar.
Maar toch kruipt er twijfel binnen zodra onze aandacht weggeleid wordt van Gods genade in Christus naar onszelf:

"Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde."

Paulus wijst nog steeds naar gelovigen, maar nu tot hen die zwak zijn in het geloof. Toen Abraham werd verteld dat Sara een zoon zou krijgen uit wie vele natiën zouden voortkomen, "heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof"(Rom. 4:20).
Gelovigen vandaag zijn zij die de waarheid aanvaarden dat Christus voor onze zonden stierf(1Kor. 15:3); maar zelfs terwijl we dit te geloven, kunnen we twijfels houden over de volledigheid van dit werk en de gevolgen ervan voor ons.

Indien we geloven dat er geen veroordeling is voor hen die in Christus zijn, moeten we niet opscheppen tegenover de broeders die deze grote genade nog niet helemaal begrijpen. In plaats daarvan zullen we proberen hen te laten groeien en klaar staan om hen te helpen zodra God daarvoor de weg vrij maakt. Onze harten gaan naar hen uit, want hun twijfels weerspiegelen een ontevredenheid, en zelf-gericht zijn dat bij hen de vreugde wegneemt van de genade die in Christus Jezus is. Dit is een zelf opgelegde veroordeling; maar voor hen is er in het geheel geen veroordeling in Christus.

Er is letterlijk geen enkele veroordeling voor wie dan ook onder ons die geloven, of we sterk of zwak zijn in geloof. Maar zij die deze heerlijke waarheid niet kennen, of er aan twijfelen, kunnen er niet van genieten en in deze figuurlijke zin zijn zij veroordeeld. Hun gezichtspunten en gewoonten en hun denken zijn "niet uit het geloof.". Maar ook Abraham zelf toonde niet altijd een groot vertrouwen in Gods uitspraken, en wij hebben allen wel eens getwijfeld aan uitspraken die God deed. Wij kennen de ellende van het onzeker voelen over bepaalde aspecten van het goede nieuws, en we kunnen niet anders doen dan meevoelen met de broeders die worstelen met deze zeer menselijk zwakte. We kennen zeker de kracht van de spraakfiguur "veroordeeld" in dit vers, en we bidden vurig voor hen. Mogen wij allen groeien in geloof en trouw!

De laatste verklaring in Romeinen 14 is niet bedoeld als een definitie van zonde. Paulus schrijft: "al wat niet uit geloof is, is zonde." Maar hiermee laat hij zien dat het een "doel missen" van een "levend, heilig en Gode welgevallig offer" is(Rom. 12:1), als we twijfelen aan wat God tegen ons gezegd heeft. We kunnen niet onze Heer eren en Hem ideaal dienen wanneer we ons bezig houden met regels over voedsel en dagen en vereisten over aanbidding en offer. Het blijft waar dat we "gestorven zijn aan de zonde"(Rom. 6:2), maar we falen nog steeds zolang we in het vlees zijn. Een van de grootste fiasco's voor ons gelovigen is het falen van het niet geloven dat we gerechtvaardigd zijn in het bloed van Christus, dat we door Hem gered zullen worden van de toorn, dat we met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon en gered zullen worden in Zijn leven(Rom. 5:9,10). Dit is de zonde van denken dat toen Christus stierf, Hij op de een of andere manier niet ieder van onze zonden afhandelde.

Echt, het fundament voor ons logische dienstbetoon is geloof. We kunnen niet bruikbaar zijn in dienstbetoon aan onze Heer, als we er aan twijfelen dat we om niet gerechtvaardigd zijn in Gods genade, door de verlossing die is in Christus Jezus(Rom. 3:24). Maar wat is het een zegen om te (mogen) geloven! Blij is hij die niet twijfelt aan wat God heeft gesproken.




Dit artikel is afkomstig uit U.R.Magazine, jaargang 79, pagina 139
Uitgave van Concordant Publishing Concern

Voor meer delen uit deze serie, klik hier



www.schriftwoord.nl