Notities bij de brief aan de Romeinen
deel 80
door D.H.Hough


Maar de heidenen.

Romeinen 15:8-13

"8 Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen,
9 en dat de heidenen God ter wille van zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat: Daarom zal ik U loven onder de heidenen en uw naam met snarenspel prijzen.
10 En verder zegt Hij: Verheugt u, heidenen, met zijn volk.
11 En verder: Looft, al gij heidenen, de Here, en laten alle volken Hem prijzen.
12 En verder zegt Jesaja: Komen zal de wortel van Isai, en Hij, die opstaat, om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen.
13 De God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes.
"
De zegening van Romeinen 15:5-7 zou de lezer zeer wel doen denken dat Paulus hier de brief gaat beëindigen. Hij heeft "de God van volharding en vertroosting" aangeroepen voor wederkerigheid en eenheid voor de gelovigen. Dit is om overeenstemming te krijgen met Christus' gezindheid van onzelfzuchtig mededogen voor het welzijn van anderen en voor de heerlijkheid van God. Welke betere samenvatting zou er gemaakt kunnen worden van het evangelie dat Paulus aan het verkondigen was? Wat valt er nog meer te zeggen?

Toch is de apostel nog niet klaar. Hij heeft zijn zegening nog niet voltooid en zal ze in vers 13 weer ter hand nemen. In de tussentijd is er nog steeds iets nodig, niet zozeer meer onthulling als wel voor versterking van wat onthuld is geworden. Tenminste twee gerelateerde zaken worden nu onder de loep genomen. Ten eerste wil Paulus het feit onderstrepen dat Christus alle gelovigen aanvaard heeft, of ze nu uit de Besnijdenis komen of uit de Onbesnedenheid. En ten tweede wil hij de nadruk er op leggen dat dit punt over hen uit de natiën van groot belang is voor zijn hele bediening(zie vers 16).

Het is essentieel voor de gelovige bekend te raken met Christus zoals Paulus Hem presenteerde. We moeten Hem zien als Degene Wiens gehoorzaamheid leidt tot de rechtvaardigheid van allen, zoals Hij getoond werd in Romeinen 5:12-19. De beperkte, aardse bediening van Jezus, beperkt tot alleen de natie van Israël, zou niet afdoende zijn om bij ons het soort dienstbetoon in te brengen dat Paulus in beeld heeft in Romeinen 15. Terwijl de werken van de Heer in het land een gezindheid toonden van nederig dienstbetoon, werd aan Paulus een onthulling gegeven van Gods Zoon, Die stierf voor iedereen die zondaar was, zelfs voor vijanden, en zonder enig aanzien van hun vleselijke banden of geschiedenis. Dit moet eigen gemaakt worden als we de vrede en vreugde willen kennen van wederkerigheid onder onszelf en God te verheerlijken door ons dienstbetoon.

8.

"Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besnedenen geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen,"
Vers 7 stelde dat Christus ons aanvaardde. Nu herinnert vers 8 ons er aan dat Hij de Dienaar van de Besnijdenis was geworden. Er is in beide verklaringen een onthulling over Zijn nederige gezindheid, maar de eerste springt er uit als de meer verbazingwekkende. Het is één ding dat Christus de Dienstknecht van de uitverkoren natie is geworden, maar het is veel verrassender dat Hij Israël's vijanden in liefde en vrede benaderd en aanvaard heeft. Goddelijke beloften die in oude tijden aan de patriarchen gedaan zijn, hadden de afdaling van de Messias voorbereid. Maar Zijn ontledigen en nederig maken van Zichzelf, tot zelfs de dood aan het kruis, ten behoeve van zowel de heidenen als Israël, was verbazingwekkend, ook al zijn er profetieën in het Oude Testament die in harmonie zijn met zo'n ontwikkeling.

Vers 8 werd niet in hoofdzaak gegeven om de nederige gezindheid van Christus tentoon te spreiden(hoewel ze dat wel doet, en dat is van belang voor de context), maar om ons er aan te herinneren dat de exclusiviteit van Christus' eerdere bediening nu niet langer toepasbaar is. De Dienstknecht van de Besnijdenis is nu de Redder en Heer van allen die geloven.

Broeder A.E.Knoch nam waar:

"Christus verliet nooit het land Israël. Hij was alleen gezonden voor de verloren schapen van het huis Israël.... Doorheen het publieke leven van de Heer benadrukte Hij het feit dat Zijn missie exclusief voor Israël was. Er waren inderdaad een paar proselieten die zegen ontvingen, maar zij werden één geacht met de bevoorrechte natie. De Syro-Phoenitische vrouw moest de plaats van een verschoppeling innemen, voordat zij een kruimel van Israël's tafel kon krijgen."
(Concordant Commentary, p.244)

Christus bevestigde de beloften aan de vaderen. Maar deze beloften, die aan Israël waren gegeven, spraken ook van zegeningen voor de natiën. Zulke profetieën (hoewel ze niet rechtstreeks spraken van de dingen die Paulus had onderwezen), kwamen zeer wel overeen met zijn bediening.

9a.

"en dat de heidenen God ter wille van zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat"
De zelf-ontlediging van Christus was ten behoeve van Israël, de Oudtestamentische profetieën bevestigend, maar niet alleen voor hen. "Gelijk" de vele profetieën die vooruit keken naar de zegeningen voor de natiën, was Christus' vernedering ook ten behoeve van hen die tot de Onbesnedenheid behoren. Zoals Paulus al eerder had geschreven:
"..er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid God"
(Rom. 3:22,23)
Dit gebrek is ook zonder onderscheid gevuld; of we nu van de Besnijdenis zijn of van de Onbesnedenheid, we worden "om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus"(Rom. 3:24).

Op gelijke wijze zou er geen onderscheid mogen zijn of vooroordeel getoond mogen worden onder gelovigen bij het elkaar aanvaarden in vriendelijkheid, genade, mildheid en zorg. Dit bijzonder patroon van dienstbetoon, zoals uiteengezet door Paulus in Romeinen 14 en 15, is ook in overeenstemming met passages in het Oude Testament.

Daarom moeten de natiën God verheerlijken voor Zijn genade. Dit zou ons vers 7 in gedachten moeten brengen. Er is een kennelijke verbinding tussen de uitspraak dat Christus ons aanvaardde voor de heerlijkheid van God, en deze woorden in vers 9 over de natiën die God verheerlijken. Ook wij hebben een aandeel in dit grote proces van het onszelf geven ten voordele van anderen om God te verheerlijken.

En deze zegening is zoals geschreven in de Psalmen, in Deuteronomium en in Jesaja(als vertegenwoordigers van de Hebreeuwse geschriften; zie ook Lucas 24:44), zelfs hoewel in de oorspronkelijke contexten de specifieke zegeningen die voor de heidenen in beeld zijn verschilden van van die welke Paulus in Romeinen had besproken.

9b.
Het eerste citaat is uit Psalm 18:49

"Daarom loof ik U, o Here, onder de volken en wil ik uw naam psalmzingen"

en Paulus past het als volgt aan:

"Daarom zal ik U loven onder de heidenen" (Rom. 15:9b.)

10.
Hoewel de Psalm aanvankelijk zeker een uitdrukking was van Davids persoonlijk verlangen om de grootheid van Yahweh bekend te maken onder de natiën waar hij mee in contact stond, is de ultieme toepassing die waarbij Christus de heerlijkheid van God bekend maakt aan de heidenen in het Koninkrijk. Nu laat Paulus ons zien dat zelfs als de grote Zoon van David de heerlijkheden van God onder de natiën zal uitroepen tijdens Zijn toekomstige heerschappij, zo ook worden (in overeenstemming daarmee) de heerlijkheden van God nu uitgeroepen onder de natiën door middel van het evangelie dat Paulus uitdeelt, hem gegeven door een onthulling van Jezus Christus(Gal. 1:12). Dit komt ook overeen met wat staat geschreven in Deuteronomium 32:43, wat hier in Romeinen 15:10 als volgt wordt gepresenteerd:

"En verder zegt Hij: Verheugt u, heidenen, met zijn volk."

Mozes had als eerste deze woorden gezongen, en nu vindt Paulus ze terug in een patroon van de wederkerigheid in vreugde die zich ontwikkelt onder gelovigen, of ze nu uit de Besnijdenis komen of uit de Onbesnedenen. Nogmaals: de oorspronkelijke associaties van deze passage in de context van Deuteronomium zijn hier in Romeinen niet in beeld. Maar het patroon is vrijwel hetzelfde. Het woord "verheugt" dient nu om vooruit te wijzen naar de woorden "louter vreugde" in vers 13 en de zinsnede "met Zijn volk" wijst terug naar vers 5, waar Paulus ons opgeroepen heeft om wederkerig gezind te zijn tot elkander.


11.
Vervolgens citeert Paulus een andere passage uit de Psalmen, en gebruikt die als een precedent voor heidenen die betrokken zijn bij het verheerlijken van God:

"En verder:

Looft, al gij heidenen, de Here,

en laten alle volken Hem prijzen."

Dit is gebaseerd op de kortste van alle Psalmen, Psalm 117, vers 1, waar we lezen:
"Looft de Here, alle gij volken, prijst Hem, alle gij natiŽn."
De natiën zullen tijdens het millennium God verheerlijken, en dit beeld uit wat Paulus heeft gezegd over de hedendaagse bruikbaarheid van gelovigen in het dienstbetoon van de lofprijzing en verheerlijking van God. De apostel ziet dit patroon van Psalm 117:11 vandaag vertegenwoordigd worden in de manier waarop het evangelie werkzaam is in de levens van gelovigen. Zelfs als we onvolwassen en onwetend zijn van de zaken die God aan Israël bekend heeft gemaakt, als we in staat zijn gesteld om iets van Christus' gezindheid te laten zien, zullen we heerlijkheid brengen aan God.

12.

"En verder zegt Jesaja: Komen zal de wortel van Isai,

en Hij, die opstaat, om over de heidenen te regeren;

op Hem zullen de heidenen hopen."

Het Griekse woord voor "hopen" is hetzelfde als dat voor "verwachten", en zo wordt het verbonden met het zelfstandig naamwoord "hoop" in Romeinen 15:13. De verwachting van alle gelovigen, inclusief de heidenen, is in Christus, op Wie wij allen hopen. Hij is Degene Die over de heiden zal regeren, als ook over hen die uit de Besnijdenis voortkomen. Zo wordt de passage in Jesaja 11:10 een patroon voor de gedachten van Romeinen 15. Onze verwachting is in Christus, Die volkomen betrouwbaar is; dit is iets verbazingwekkends voor mensen die geen recht op Hem hadden naar het vlees.

13.

"De God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes."
Hier is een tweede zegening, die eigenlijk, zoals we al eerder opmerkten, een voortzetting is van de verzen 5-7. De verzen 8-12 hebben als tussenzin gediend, handelend met de verwondering van heidenen dat ze inbegrepen zijn in Gods geschenk van volharding en vertroosting, zoals onthuld in Paulus' evangelie. En nu wordt de zegenspreuk over dagelijkse en voortgaande zegen voor gelovigen hervat.

In vers 5 riep Paulus God aan als de "God van volharding en vertroosting." Nu wordt de aanvullende aanduiding "God der hope" gebruikt. Eerder had de apostel geschreven dat we mogen roemen "in de hoop op de heerlijkheid Gods"(Rom. 5:2). God Zelf, als de God van de verwachting, heeft ons deze zegen gegeven. En we zien hoe nauw deze verwachting verbonden is met heerlijkheid, zowel de heerlijkheid die genoten wordt, als de verheerlijking van God, die feitelijk onlosmakelijke zaken zijn.

Er is zoveel strijd en ontmoediging in onze huidige levens in het vlees, dat de genade van de verwachting niet anders dan steeds kostbaarder voor ons kan worden. Het is een van de drie grotere genades die blijven en ons doorheen heel ons leven bemoedigen(1Kor. 13:13).

Hier, net zoals in andere passages in Paulus' brieven, is verwachting nauw verbonden met geloof. Haar zegeningen worden gegeven "in geloof." Daarom kijkt Paulus uit naar de God van verwachting om hen die geloven te vullen met vreugde en vrede.

We hebben al vaak gezien dat het woord "vreugde" in het Grieks vrijwel hetzelfde is als het woord "genade." Vreugde en vrede zijn de vruchten die voortgebracht worden door de gelovige, die de goddelijke gaven van genade en verzoening ontvangen heeft en is gaan waarderen. God geeft ons vrede en vreugde(Rom. 1:7b), en dit is goed nieuws, evangelie! Zo werkt dit goede nieuws in ons, ons motiverend en aansporend tot een leven van vreugde en vrede.

Hoe gebeurt dit? Er is iets in het evangelie dat ons beweegt. Schriftuurlijk uitgedrukt is dit "iets" de kracht van de heilige geest.

" Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing."
(Gal. 5:22)

Laten we ons aansluiten bij deze zegenspreuk voor elkaar. Laten we allen opzien naar God als de God van volharding, vertroosting en verwachting, Die ons dit goede nieuws geeft over de genade die is in Christus Jezus en de vrede die verkregen werd door het bloed van Diens kruis. Er is niemand onder ons die niet de vreugde en vrede nodig heeft waarin God in dit evangelie heeft voorzien. Maar het is er voor ons allemaal, wie we ook zijn, hoe wijs en krachtig of nobel of hoe goed verbonden via het vlees.

God zij de glorie!




Dit artikel is afkomstig uit U.R.Magazine, jaargang 79, pagina 281
Uitgave van Concordant Publishing Concern

Voor meer delen uit deze serie, klik hier



www.schriftwoord.nl