Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
1SamuŽl
Hoofdstuk 21

   
(Ga met de muis op een naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de betekenis of tekst)

1 En DavidDavid = lieveling kwam in de buurt van NobNob = hoogte, bij AchimelechAchimelech = mijn broeder is koning, de priester. En AchimelechAchimelech = mijn broeder is koning beefde om DavidDavid = lieveling te ontmoeten en hij zei tot hem: "Wat is de reden dat u alleen bent en er niemand met u is?" 3 Doch Hij zei tot hen: Lazen jullie niet wat David doet toen hij honger had en die met hem waren, 4 hoe hij binnen ging* in het huis van įGod en zij de toonbroden aten*, die hem niet toegestaan waren te eten*, noch die met hem waren, maar alleen aan de priesters? (SW)[Matt. 12;3,4]
2 En DavidDavid = lieveling zei tot AchimelechAchimelech = mijn broeder is koning, de priester: "De koning gaf mij instructie over een zaak op en hij zei tot mij: Het moet niet zo zijn dat iemand iets weet van de zaak waarvoor ik jou zend en die ik jou als instructie gaf. En de knapen heb ik plaats zus en zo bekend gemaakt.
3 En nu, wat is er onder uw hand? Geef vijf broden in mijn hand, of wat er gevonden wordt."
4 En de priester antwoordde DavidDavid = lieveling en hij zei: "Er is geen ongewijd brood onder mijn hand, behalve alleen brood van heiligheid; indien de knapen zich echter bij vrouwen in acht nemen."
5 En DavidDavid = lieveling antwoordde de priester en hij zei tot hem: "Maar de vrouwen van ons werden beteugeld, zoals gisteren en eergisteren, bij mijn uitgaan. En de wapens van de knapen zijn heiligheid en het is een ongewijde weg; en inderdaad, vandaag wordt men geheiligd in het wapen."
6 En de priester gaf aan hem het heilige brood, want er was daar geen brood, behalve alleen brood van de aanwezigheid dat weggenomen werd van voor het aangezicht van JAHWEH, om plaats te maken voor warm brood in de dag dat het weggenomen werd. 5 En jij neemt meel en jij bakt er twaalf doorstoken koeken van. Twee tiende maat zal er zijn voor ťťn doorstoken koek.
6 En jij plaatst ze in twee rijen, zes per rij, op de pure tafel voor het aangezicht van JAHWEH.
7 En jij doet pure wierook op de rij, en het wordt voor het brood tot een herinneringsdeel, een vuuroffer voor JAHWEH.
8 Sabbatdag na sabbatdag zal hij ze schikken voor het aangezicht van JAHWEH, voordurend, vanwege de zonen van IsraŽl. Het is een aionisch verbond.
9 En het wordt voor Ašron en voor zijn zonen en zij eten het in de heilige plaats, want het is voor hem heiligheid van heiligheden van de vuuroffers van JAHWEH. Het is een aionische verordening (SW)
[Lev. 24:5-9]

7 En er was iemand van de dienaren van SaulSaul = afgebeden (van God) in die dag, in vrijheidsbeperking zijnde voor het aangezicht van JAHWEH. En zijn naam is DoŽgDoŽg = ? vreesachtig, de Edomiet, een stoere herder die bij SaulSaul = afgebeden (van God) hoorde.
8 En DavidDavid = lieveling zei tot AchimelechAchimelech = mijn broeder is koning: "En is er hier onder uw hand geen speer of zwaard, want noch mijn zwaard, noch mijn wapens nam ik in mijn hand, want de zaak van de koning was dringend."
9 En de priester zei: "Het zwaard van GoliatGoliat = pracht, de Filistijn, die u neersloeg in de vallei van ElaEla = terebint (eik), aanschouw!, het is gehuld in een kledingstuk achter de efod. Indien u het neemt voor uzelf, neem het, want er is geen ander hier dan dit in deze plaats." En DavidDavid = lieveling zegt: "Er is er geen zoals dit! Geef het aan mij." En David rent en hij staat voor de Filistijn. En hij neemt zijn zwaard en trekt die uit zijn schede en hij brengt hem ter dood. Hij hakt zijn hoofd er mee af. En de Filistijnen zien dat hij dood is, hun machtige man, en zij vluchten (SW)[1Sam. 17:51]
10 En DavidDavid = lieveling stond op en hij rende in die dag weg van het aangezicht van SaulSaul = afgebeden (van God). En hij kwam bij AkisAkis = Ik zal zwart maken (of verschrikken) of slechts een man, koning van GatGat = wijnpers.
11 En de dienaren van AkisAkis = Ik zal zwart maken (of verschrikken) of slechts een man zeiden tot hem: "Is deze niet DavidDavid = lieveling, koning van het land? Is deze niet degene die zij antwoordden in reidansen, zeggend: SaulSaul = afgebeden (van God) sloeg zijn duizenden neer en DavidDavid = lieveling zijn tienduizenden?" En de huppelende vrouwen antwoorden en zij zeggen: Saul sloeg zijn duizenden en David zijn tienduizenden! (SW)[1Sam. 18:7]
12 En DavidDavid = lieveling plaatste deze woorden in zijn hart en hij vreesde uitermate voor het aangezicht van AkisAkis = Ik zal zwart maken (of verschrikken)) of slechts een man, koning van GatGat = wijnpers. )1 Voor de toezichthouder. Op: De duif van een stomme, veraf. Van David, toen Filistijnen hem vasthielden in Gat. (SW)[Psalm 56:1]
13 En hij veranderde zijn smaak voor hun ogen en hij lofprees in hun hand. En hij maakte tekens op de deuren van de poort en hij deed zijn speeksel neerdalen op zijn baard. [Een] [psalm] van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging. (SV)[Psalm 34:1]
14 En AkisAkis = Ik zal zwart maken (of verschrikken)) of slechts een man zei tot zijn dienaren:  "Aanschouw!, jullie zien een man die zich als een waanzinnige gedraagt. Waarom brengen jullie hem bij mij?
15 Ontbreken mij waanzinnigen, dat jullie deze, die zich als een waanzinnige gedraagt, bij mij brengen? Zal deze tot mijn huis komen?"

Terug naar de indexpagina
Naar 1SamuŽl 22
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.