Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
2SamuŽl
Hoofdstuk 9

   
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam, dan ziet u de betekenis)


1 En DavidDavid = lieveling zei: "Is er nog iemand die resteert van het huis van SaulSaul = afgebeden (van God)? Dan zal ik met hem vriendelijkheid doen, vanwege van JonatanJonatan = JAH heeft gegeven." 15 En jij zal jouw vriendelijkheid niet van mijn huis afsnijden tot de aion, ook niet bij JAHWEHs afsnijden van de vijanden van David, elk van de oppervlakte van de grond.
16 En Jonatan verbindt zich met het huis van David, en JAHWEH verlangt het uit de hand van de vijanden van David.
17 En Jonatan gaat voort met David te laten zweren, vanwege zijn liefde voor hem, want hij hield van hem met de liefde voor zijn eigen ziel. (SW)
[1Sam. 20:15-17]

2 En van het huis van SaulSaul = afgebeden (van God) was er een dienaar en zijn naam was SibaSiba = (stand-)beeld. En zij riepen hem naar DavidDavid = lieveling en de koning zei tot hem: "Ben jij SibaSiba = (stand-)beeld?" En hij zie: "Uw dienaar."
3 En de koning zei: "Is er niemand, nog een man van het huis van SaulSaul = afgebeden (van God)? Dan zal ik met hem vriendelijkheid van Elohim doen." En SibaSiba = (stand-)beeld zei tot de koning: "Er is nog een zoon van JonatanJonatan = JAH heeft gegeven, geslagen aan beide voeten." En voor Jonatan, zoon van Saul, is er een zoon, geslagen aan beide voeten. Hij was een zoon van vijf jaren bij de komst van het bericht van Saul en Jonatan, uit JezreŽl. En zijn pleegmoeder draagt hem en zij vlucht. En het gebeurt bij haar nerveuze haast om te vluchten, dat hij valt, en hij raakt verlamd. En zij naam is Mefiboseth (SW)[2Sam. 4:4]
4 En de koning zei tot hem: "Waar is hij?" En SibaSiba = (stand-)beeld zei tot de koning: "Aanschouw!, hij is in het huis van MachirMachir = verkochte/huursoldaat, zoon van AmmiŽlAmmiŽl = mijn oom (=beschermer) is God, in Lo-DebarLo-Debar = niets."
5 En de koning, DavidDavid = lieveling, zond en men nam hem uit het huis van MachirMachir = verkochte/huursoldaat, zoon van AmmiŽlAmmiŽl = mijn oom (=beschermer) is God, uit Lo-DebarLo-Debar = niets.
6 En MefibosetMefiboset = die schande verbreidt, zoon van JonatanJonatan = JAH heeft gegeven, zoon van SaulSaul = verlangd , kwam naar DavidDavid = lieveling en hij viel op zijn aangezicht en hij wierp zichzelf neer. En DavidDavid = lieveling zei: "MefibosetMefiboset = die schande verbreidt?" En hij zei: "Aanschouw!, uw dienaar."
7 En DavidDavid = lieveling zei tot hem: "Het moet niet zo zijn dat jij vreest, want ik zal vriendelijkheid met jou doen, ja doen vanwege JonatanJonatan = JAH heeft gegeven, jouw vader, en ik doe aan jou heel het veld terugkeren van SaulSaul = afgebeden (van God), jouw vader, en jij, jij zal voortdurend brood eten aan mijn tafel."
8 En hij wierp zichzelf neer en hij zei: "Wat is uw dienaar, dat u u omwendt naar de stervende hond zoals ik?"
9 En de koning riep om SibaSiba = (stand-)beeld, de knaap van SaulSaul = afgebeden (van God), en hij zei tot hem: "Al wat van SaulSaul = afgebeden (van God) was en heel zijn huis, geef ik aan de zoon van jouw heer.
10 En jij dient de grond voor hem, jij en jouw zonen en jouw dienaren, en jij brengt binnen. En het wordt brood voor de zoon van jouw heer en hij eet het. En MefibosetMefiboset = die schande verbreidt, zoon van jouw heer, zal voortdurend brood eten aan mijn tafel." En SibaSiba = (stand-)beeld had vijftien zonen en twintig dienaren.
11 En SibaSiba = (stand-)beeld zei tot de koning: "Al wat mijn heer de koning instructie geeft aan zijn dienaar, zo zal uw dienaar doen." "En MefibosetMefiboset = die schande verbreidt eet aan mijn tafel, als ťťn van de zonen van de koning."
12 En MefibosetMefiboset = die schande verbreidt had een kleine zoon en zijn naam was MichaMicha = wie is als Jah?. En alle bewoners van het huis van SibaSiba = (stand-)beeld waren dienaren van MefibosetMefiboset = die schande verbreidt. 1 En David passeert een klein beetje van de top af en aanschouw!, Siba, een knaap van Mefiboset, om hem te ontmoeten, en een span gezadelde ezels en op hen tweehonderd broden en honderd rozijnentrossen en honderd zomervruchten en een kruik wijn.(SW)[2Sam. 16:1]
13 En MefibosetMefiboset = die schande verbreidt woonde in JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem / vredestichter, want hij at voortdurend aan de tafel van de koning. En hij was verlamd aan zijn beide voeten.

Terug naar de indexpagina
Naar 2SamuŽl 10
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.