Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Jeremia
Hoofdstuk 3

Jeremia leefde van ca. 645 tot ca. 587 v.C.

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 Zeggend: Aanschouw, een man zendt zijn vrouw weg. En zij gaat van hem weg en wordt van een andere man. Zal hij nog tot haar terugkeren? Zou dat land niet verontreinigd, ja verontreinigd worden? En jij, jij bedrijft ontucht met vele naasten en zou jij tot Mij terugkeren, zegt JAHWEH met nadruk.
2 Hef jouw ogen op naar de bergkammen en zie! Waar heb jij niet gelegen? Op de wegen zat jij voor hen, als de Arabier in de wildernis. En jij verontreinigt het land met jouw ontuchtplegingen en met jouw kwaad.
3 En regenbuien werden weerhouden en de late regen kwam niet. En jij kreeg het voorhoofd van een prostituerende vrouw. Jij weigerde om rood van schaamte te worden.
4 Riep jij niet vanaf nu tot Mij: Mijn Vader, U bent de mentor van mijn jeugd.
5 Zal Hij niet wrevel koesteren voor de aion of tot bestendigheid bewaren? Aanschouw, jij spreekt en jij doet de kwaden die jij kan doen.
6 En JAHWEH zei tot mij in de dagen van JosiaJosia = JAH steunt, de koning: Zie jij wat het afvallige IsraëlIsraël = strijder van God doet? Zij gaat op elke verheven berg en onder elke bloeiende boom en bedrijft daar ontucht.
7 En Ik zei: Nadat zij al deze dingen heeft gedaan zal zij tot Mij terugkeren, maar ze keerde niet terug en haar verraderlijke zuster JudaJuda = lof heeft het gezien.
8 En Ik zie dat, vanwege alle oorzaken waarin het afvallige IsraëlIsraël = strijder van God echtbreuk pleegde, Ik haar wegzond. En Ik gaf haar haar scheidingsrol. En haar verraderlijke zuster JudaJuda = lof vreesde niet en zij ging en bedreef ontucht, ook zij.
9 En het was vanwege de lichtheid van haar ontuchtpleging dat zij het land verontreinigde en zij echtbreuk pleegde met de steen en met het hout.
10 En zelfs in dit alles keerde haar verraderlijke zuster JudaJuda = lof niet met heel haar hart tot Mij terug, maar veeleer in onwaarheid, zegt JAHWEH met nadruk.
11 En JAHWEH zei tot mij: Het afvallige IsraëlIsraël = strijder van God toonde haar ziel rechtvaardig, meer dan het verraderlijke JudaJuda = lof.
12 Ga en roep deze woorden noordwaarts en zeg: Keer terug, afvallig IsraëlIsraël = strijder van God, zegt JAHWEH met nadruk; Ik zal Mijn aangezicht niet tegen jullie doen vallen, want Ik ben vriendelijk, zegt JAHWEH met nadruk. Ik zal geen wrevel koesteren voor de aion.
13 Echter, erken jouw verdorvenheid, want tegen JAHWEH, jouw Elohim, overtrad jij. En jij strooide jouw wegen uit naar de vreemden onder elke bloeiende boom, maar naar Mijn stem luisterden jullie niet, zegt JAHWEH met nadruk.
14 Keert terug, afvallige zonen, zegt JAHWEH met nadruk, want Ik, Ik bezit jullie en Ik zal jullie bezitten, é é n vanaf de stad en twee vanaf een familie, en Ik zal jullie brengen naar SionSion = ruïne - verdorde plaats - een verschroeide plaats - verheven.
15 En Ik geef aan jullie herders naar Mijn hart en zij zullen jullie weiden met kennis en met intelligentie.
16 Wanneer het is dat jullie vermeerderen en jullie vruchtbaar zijn in het land in die dagen, zegt JAHWEH met nadruk, dan zullen zij niet nog zeggen: De kist van het verbond van JAHWEH. En het zal niet opgaan in hun hart en zij zullen het niet gedenken en zullen die niet missen en hij wordt niet meer gemaakt.
17 In die tijd zullen zij tot JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter roepen: Troon van JAHWEH! En alle naties zullen op haar hopen, op de Naam van JAHWEH in JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter. En zij zullen niet nog achter de verstoktheid van hun kwade hart aan gaan.
18 In die dagen zal het huis van JudaJuda = lof gaan naar het huis van IsraëlIsraël = strijder van God en zij zullen tezamen komen vanaf het land van het noorden, naar het land dat Ik jullie vaders als lotbezit gaf.
19 En Ik, Ik zeg: Hoe zal Ik jou stellen onder de zonen en hoe zal Ik aan jou het land van begeerlijkheid geven, het lotbezit van statigheid van statigheden onder de naties? En Ik zeg: Mijn Vader zullen jullie Mij roepen en jullie zullen niet meer van achter Mij afkeren.
20 Zeker, zoals een vrouw verraderlijk is tegenover haar naaste, zo waren jullie verraderlijk tegenover Mij, huis van IsraëlIsraël = strijder van God, zegt JAHWEH met nadruk.
21 Een geluid wordt gehoord op de bergkammen, het huilen van smeekbeden van de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God, want zij maakten hun weg verdorven; zij vergaten JAHWEH, hun Elohim.
22 Keert terug, afvallige zonen! Ik zal jullie afvalligheden genezen. Aanschouw ons, wij arriveren bij U, want U bent JAHWEH, onze Elohim!
23 Zeker, onwaarheid komt vanaf de heuvels, rumoer van de bergen. Zeker, in JAHWEH, onze Elohim, is de redding van IsraëlIsraël = strijder van God.
24 En de schaamte verslond de arbeid van onze vaders, vanaf onze jeugd, hun kleinvee en hun grootvee, hun zonen en hun dochters.
25 We zullen neerliggen in onze schaamte en ons schaamrood zal ons bedekken, want wij zondigden tegen JAHWEH, onze Elohim, wij en onze vaders, vanaf onze jeugd en tot aan deze dag. En wij luisterden niet naar de stem van JAHWEH, onze Elohim.

Terug naar de indexpagina
Naar Jeremia 4
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.