Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Jeremia
Hoofdstuk 32

Jeremia leefde van ca. 645 tot ca. 587 v.C.

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 Het woord dat kwam tot JeremiaJeremia = verhogen doet JAH van JAHWEH in het tiende jaar van SedekiaSedekia = mijn gerechtigheid is JAH, koning van JudaJuda = lof; het was het achttiende jaar van NebukadressarNebukadressar = Nabu, bescherm de erfzoon. 1 En het gebeurt in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, in de tiende van de maand, dat Nebukadressar, koning van Babel, kwam, hij en heel zijn leger, tegen Jeruzalem. En hij slaat het kamp op tegen haar en zij bouwen een belegwerk tegen haar, rondom.
2 En de stad komt onder beleg tot aan het elfde jaar van koning Sedekia,
3 in de negende van de maand - en de hongersnood in de stad houdt niet op en er was geen brood voor het volk van het land.
4 En de stad wordt verscheurd, en alle stervelingen van de oorlog gaan s nachts via de poort, tussen de twee muren, die aan de tuin van de koning zijn. En de Chaldeeën zijn tegen de stad, en men gaat over de weg naar de vlakte.
5 En het leger van de Chaldeeën achtervolgt de koning en zij halen hem in op de vlakten van Jericho; en heel zijn leger werd van bij hem verstrooid.
6 En zij grijpen de koning en zij brengen hem op naar de koning van Babel, naar Ribla; en zij spreken met hem - oordeel.
7 En de zonen van Sedekia slachtten zij voor zijn ogen en men verblindde de ogen van Sedekia en men bindt hem met koperen ketenen. En men brengt hem naar Babel. (SW)
[2Kon. 25:1-7]

2 Toen belegerde de strijdmacht van de koning van BabelBabel = wirwar JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter; en JeremiaJeremia = verhogen doet JAH, de profeet, werd vastgezet in de hof van de gevangenis, welke in het huis van de koning van JudaJuda = lof was,
3 waar SedekiaSedekia = mijn gerechtigheid is JAH, koning van JudaJuda = lof, hem vastzette, zeggend: Om welke reden profeteer jij, zeggend: Zo zegt JAHWEH, aanschouw!, Ik geef deze stad in de hand van de koning van BabelBabel = wirwar en hij zal haar veroveren.
4 En SedekiaSedekia = mijn gerechtigheid is JAH, koning van JudaJuda = lof, zal niet ontsnappen uit de hand van de Chaldeeën, want hij zal gegeven, ja gegeven worden in de hand van de koning van BabelBabel = wirwar. En zijn mond spreekt met zijn mond en zijn ogen zullen zijn ogen zien.
5 En hij zal SedekiaSedekia = mijn gerechtigheid is JAH naar BabelBabel = wirwar doen gaan en daar zal hij zijn tot Ik hem opmerk, zegt JAHWEH met nadruk, want jullie vechten met de Chaldeeën, maar jullie zullen niet voorspoedig zijn.
6 En JeremiaJeremia = verhogen doet JAH zei: Het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend:
7 Aanschouw, ChanamelChanamel = genade van God, zoon van SallumSallum = vergelding, jouw oom, komt tot jou, zeggend: Koop voor jouzelf mijn veld, dat in AnatotAnatot = antwoord op gebed, gebedsverhoring is, want voor jou is het gebruikelijke recht van schuldinlossing om het te kopen.
8 En ChanamelChanamel = genade van God, zoon van mijn oom, kwam tot mij naar het woord van JAHWEH, naar de hof van de gevangenis, en hij zei tot mij: Koop alstublieft mijn veld, dat in AnatotAnatot = antwoord op gebed, gebedsverhoring is, dat in het land van BenjaminBenjamin = zoon van de rechterzijde - gelukskind is, want voor jou is het gebruikelijke recht van het pachtbezit en voor jou is de schuldinlossing. Koop het voor jouzelf, dan weet ik dat dit het woord van JAHWEH was.
9 En ik kocht het veld van ChanamelChanamel = genade van God, de zoon van mijn oom, dat in AnatotAnatot = antwoord op gebed, gebedsverhoring is, en ik woog voor hem het zilver af, zeventien shekels van zilver.
10 En ik schreef in de boekrol en ik verzegelde die en ik deed getuigen getuigen en ik woog het zilver af in een weegschaal.
11 En ik nam de boekrol van de verwerving, die verzegeld was volgens de instructie en de statuten, en de onthuld zijnde,
12 en ik gaf de boekrol van de verwerving aan BaruchBaruch = gezegend, zoon van NeriaNeria = mijn licht is JAH, zoon van MachsejaMachseja = werk van JAH, voor de ogen van ChanamelChanamel = genade van God, mijn oom, en voor de ogen van de getuigen die geschreven zijn in de boekrol van de verwerving, voor de ogen van al de Judeeërs die zitten in de hof van de gevangenis.
13 En ik gaf BaruchBaruch = gezegend voor hun ogen instructie, zeggend:
14 Zo zegt JAHWEH van legermachten, Elohim van IsraëlIsraël = strijder van God: Neem deze boekrollen, deze boekrol van de verwerving, de verzegelde, en deze onthulde boekrol, en doe die in een vat van aardewerk, opdat ze vele dagen zullen bestaan.
15 Want zo zegt JAHWEH van legermachten, Elohim van IsraëlIsraël = strijder van God: Opnieuw zullen huizen en velden en wijngaarden in dit land verworven worden.
16 En ik bad tot JAHWEH, nadat ik de boekrol van de verwerving had gegeven aan BaruchBaruch = gezegend, zoon van NeriaNeria = mijn licht is JAH, zeggend:
17 Ach, mijn Heer, JAHWEH, aanschouw, U maakte de hemelen en de aarde door Uw grote energie en door Uw uitgestrekte arm. Geen ding is te wonderbaarlijk voor U,
18 getrouwheid doende aan duizenden en Die verdorvenheid van vaders terugbetaalt in de boezem van hun zonen na hen. De grote El, de machtige, JAHWEH van legermachten is Zijn Naam,
19 groot van beraadslaging en veel in handeling, U Wiens ogen ontsloten zijn over alle wegen van de zonen van de mens, om aan ieder te geven naar zijn wegen en naar de vrucht van zijn handelingen.
20 U, Die tekenen en wonderen plaatste in het land van EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn), tot aan deze dag, en in IsraëlIsraël = strijder van God en onder de mensheid. En U maakt voor Uzelf een Naam, zoals deze dag.
21 En U deed Uw volk IsraëlIsraël = strijder van God uitgaan vanaf het land van EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) door tekenen en door wonderen en door een standvastige hand en door een uitgestrekte arm en door grote vreeswekkende daden.
22 En U gaf aan hen dit land, dat U aan hun vaders gezworen had, om aan hen een land te geven, gutsend van melk en honing.
23 En zij kwamen en zij pachtten haar, maar zij luisterden niet naar Uw stem en naar Uw wet gingen zij niet. Alles wat U hen als instructie gaf om te doen, deden zij niet. En U deed hen al dit kwaad overkomen.
24 Aanschouw, de aarden wallen kwamen naar de stad om haar te veroveren. En de stad werd gegeven in de hand van de Chaldeeën, die tegen haar vechten, vanwege het zwaard en de hongersnood en de pest. En wat U sprak gebeurde. En aanschouw!, U ziet het.
25 Maar U, U zei tot mij, mijn Heer JAHWEH: Koop voor jezelf het veld met het zilver en doe getuigen getuigen. Maar de stad wordt gegeven in de hand van de Chaldeeën.
26 En het woord van JAHWEH kwam tot JeremiaJeremia = verhogen doet JAH, zeggend:
27 Aanschouw, Ik ben JAHWEH, Elohim van alle vlees. Is voor Mij enig ding te wonderbaarlijk?
28 Daarom, zo zegt JAHWEH, aanschouw, Ik geef deze stad in de hand van de Chaldeeën en in de hand van NebukadressarNebukadressar = Nabu, bescherm de erfzoon, koning van BabelBabel = wirwar, en hij zal haar veroveren. 17 En Hij brengt tegen hen de koning van de Chaldeeën en hij doodt onder hen de beste van hun jonge mannen door het zwaard, in het huis van hun heiligdom, en hij spaarde de jongens en de maagd en de oude man en de zeer oude niet; allen gaf Hij in zijn hand.
18 En alle vaten van het huis van de Elohim, de grote en de kleine, en de schatten van het huis van JAHWEH en de schatten van de koning en zijn leiders, dit alles bracht hij naar Babel.
19 En zij verbrandden het huis van de Elohim en zij braken de muur van Jeruzalem af. En al haar citadelen verbrandden zij met vuur en zij vernielden al haar begeerde gerei.
20 En hij deporteert het overblijfsel van het zwaard naar Babel en zij worden voor hem en voor zijn zonen tot dienaren, tot aan de heerschappij van het koninkrijk van Perzië,
21 om het woord van JAHWEH, door de mond van Jeremiah, te vervullen, totdat het land haar sabbatten aanvaard had. Alle dagen van haar verlaten zijn hield zij sabbat om zeventig jaren te vervullen. (SW)
[2Kron. 36:17-21]

29 En de Chaldeeën, die tegen deze stad vechten, zullen komen en zij vernielen deze stad door vuur en zij verbranden haar en de huizen waarin zij wierook deden roken op hun daken voor de BaälBaäl - heer - de anti god en zij drankoffers brachten aan andere elohim, ten einde Mij te tergen.
30 Want het waren zonen van IsraëlIsraël = strijder van God en zonen van JudaJuda = lof die het kwade doen in Mijn ogen vanaf hun jeugd; want de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God tergen Mij door de daad van hun handen, zegt JAHWEH met nadruk.
31 Want tot Mijn boosheid en tot Mijn woede is deze stad voor Mij geworden, vanaf de dag dat zij haar bouwden tot aan deze dag, om haar te doen weggaan van voor Mijn aangezicht,
32 vanwege alle kwaad van de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God en de zonen van JudaJuda = lof, dat zij deden om Mij te tergen, hun koningen, hun oversten, hun priesters en hun profeten en ieder van JudaJuda = lof en de inwoners van JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter.
33 Zij keerden de nek naar Mij toe en niet hun aangezicht, hoewel Ik hen onderwees vroeg op te staan en te onderwijzen, maar er is niemand die luistert, om vermaning aan te nemen.
34 En zij plaatsten hun gruwelen in het huis waarover Mijn Naam is geroepen, het verontreinigend.
35 En zij bouwden de hoge plaatsen van de BaälBaäl = heer - de anti god die in het Ravijn van Ben HinnomBen Hinnom = zonen van Hinnom, de vallei ten zuiden westen van Jeruzalem zijn, om hun zonen en hun dochters te doen passeren aan de MolochMoloch = koning, waarvoor Ik geen instructie gaf. En het kwam in Mijn hart niet op om deze afschuwelijkheid te doen, ten einde JudaJuda = lof te doen zondigen. En van jouw zaad zal jij niet geven om door het vuur naar de Moloch te gaan. En jij zal de naam van jouw Elohim niet ontheiligen. Ik ben JAHWEH! (SW) [Lev. 18:21]
36 En nu, daarom, zo zegt JAHWEH, Elohim van IsraëlIsraël = strijder van God, over deze stad waarvan jullie zeggen: Ze is gegeven in de hand van de koning van BabelBabel = wirwar, door het zwaard, door de hongersnood en door de pest,
37 aanschouw, Ik breng hen bijeen vanaf al de landen waarheen Ik hen verdreef in Mijn boosheid en in Mijn woede en in grote driftigheid, en Ik zal hen doen terugkeren naar deze plaats en Ik doe hen in vertrouwen wonen.
38 En zij worden voor Mij tot volk en Ik zal voor hen tot Elohim worden.
39 En Ik zal aan hen é é n hart geven en é é n weg om Mij te vrezen, al de dagen, hen ten goede, en aan hun zonen na hen.
40 En Ik snij met hen een aionisch verbond dat Ik niet van hen zal terugdraaien, hen goed doende. En Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, zodat zij niet van Mij weggaan.
41 En Ik ben opgetogen over hen, hen goed doende, en Ik zal hen in waarheid in dit land planten, met heel Mijn hart en met heel Mijn ziel.
42 Want zo zegt JAHWEH: Zoals Ik al dit grote kwaad bracht tot dit volk, zo breng Ik over hen al het goede dat Ik over hen spreek.
43 En het veld in dit land wordt gekocht, waarvan jullie zeggen: Het is troosteloosheid, er is geen mens en beest, het werd gegeven in de hand van de Chaldeeën.
44 Zij zullen met zilver velden kopen en het schrijven in de boekrol en die verzegelen en getuigen doen getuigen, in het land van BenjaminBenjamin = zoon van de rechterzijde - gelukskind en rondom JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter en in de steden van JudaJuda = lof en in de steden van het gebergte en in de steden van het lage voorgebergte en in de steden van de NegevNegev = uitgedroogd - zuiderland , want Ik zal hun krijgsgevangenschap omkeren, zegt JAHWEH met nadruk.

Terug naar de indexpagina
Naar Jeremia 33
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.