Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Jeremia
Hoofdstuk 51

Jeremia leefde van ca. 645 tot ca. 587 v.C.

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 Zo zegt JAHWEH: Aanschouw, Ik wek tegen BabelBabel = wirwar, en tegen de inwoners van Leb-KamaiLeb-Kamai = mijn hart rijst op, een ruïnerende wind op.
2 En Ik zend vreemden tot BabelBabel = wirwar en zij wannen haar en zij zullen haar land leeg maken, want zij komen tegen haar van rondom in de dag van kwaad.
3 Het moet niet zo zijn dat de boogschutter zijn boog zal buigen en het moet niet zo zijn dat hij zichzelf doet opgaan in zijn kuras. En het moet niet zo zijn dat jullie haar uitgekozen jongemannen sparen. Verdoemt heel haar leger!
4 Gesneuvelden vallen in het land van de Chaldeeën en die doorstoken zijn in haar straten.
5 Want IsraëlIsraël = strijder van God en JudaJuda = lof zijn niet door hun Elohim tot weduwschap gesteld door JAHWEH van legermachten, (hoewel hun land vol is van schuld), door de Heilige van IsraëlIsraël = strijder van God.
6 Vlucht vanuit het midden van BabelBabel = wirwar en doet ontsnappen, ieder met zijn ziel! Het moet niet zo zijn dat jullie tot stilte gebracht worden in haar verdorvenheid, want het is een tijd van wraakneming voor JAHWEH. Hij betaalt haar een vergelding terug.
7 Een gouden beker was BabelBabel = wirwar in de hand van JAHWEH, dat heel de aarde dronken maakt van haar wijn. De naties dronken; vanwege dit raaskallen de naties. 2 met wie de koningen van de aarde prostitueren*, en de op de aarde wonenden zijn dronken gemaakt* met de wijn van haar °prostitutie.
3 En hij draagt* mij weg, in de geest, naar de wildernis en ik nam* een vrouw waar, zittende op een scharlaken wild beest, boordevol namen van lastering, hebbende zeven hoofden en tien horens. (SW)
[Openb. 17:2-4]

8 Plotseling viel BabelBabel = wirwar en werd zij verbroken. Jammert over haar. Neemt balsem voor haar pijn; misschien zal ze genezen worden.
9 Wij genazen BabelBabel = wirwar, maar ze werd niet genezen. Verlaat haar, dan zullen wij gaan, een ieder naar zijn land, want haar oordeel reikt tot aan de hemelen. En het is opgeheven tot aan de luchten. Want haar °zonden zijn opgestapeld* tot de hemel en °God herinnert* haar °beschadigingen (SW)[Openb. 18:5]
10 JAHWEH deed onze rechtvaardigheden uitgaan. Komt, dan zullen wij in SionSion = burcht de daad verhalen van JAHWEH, onze Elohim.
11 Zuivert de pijlen, vult de pijlfoedralen! JAHWEH wekte de geest van de koningen van de MedenMeden = midden-land op, want Zijn beraming tegen BabelBabel = wirwar is om haar te ruïnering, want het is de wraakneming van JAHWEH, het is de wraakneming voor Zijn tempel.
12 Heft een vaandel op tegen de muren van BabelBabel = wirwar. Maakt de bewaking standvastig! Richtm wachthouders op! Maakt de hinderlagen gereed, want ook dat beraamde JAHWEH; ook doet Hij wat Hij sprak tegen de inwoners van BabelBabel = wirwar.
13 Die verblijft aan vele wateren, vele zijn jouw schatten. Jouw einde komt, de maat van jouw winst.
14 JAHWEH van legermachten zwoer bij Zijn ziel, want indien Ik jou vulde met mensen als met jonge sprinkhaan, toch antwoorden zij tegen jou met oogstfeestgeroep.
15 De Maker van de aarde deed het door Zijn energie, de Vestiger van de wereld door Zijn wijsheid en door Zijn verstand strekte Hij de hemelen uit.
16 Wanneer Hij Zijn stem geeft is er een gedruis van wateren in de hemelen en Hij doet dampen opgaan van het einde van de aarde. Hij maakt bliksemflitsen voor de regen. En Hij doet wind uitgaan vanaf Zijn schatkamers.
17 Elk mens toont zich irrationeel, zonder kennis. Elke edelsmid wordt beschaamd door een beeldsnijwerk. Want zijn gegoten beeld is onwaarheid en in hen is geen geest.
18 Zij zijn zinloosheid, een daad van geestesafwijkingen. In de tijd van hun gericht zullen zij vergaan.
19 Niet als deze is de portie van JakobJakob = hielenlichter , want de Vormgever van het al is Hij en IsraëlIsraël = strijder van God is de stam van Zijn lotbezit. JAHWEH van legermachten is Zijn Naam.
20 Jij bent voor Mij een moker, een wapen van oorlog. En Ik verbrijzel door jou naties en Ik zal door jou koninkrijken ruïneren.
21 En Ik zal door jou het paard verbrijzelen en zijn berijder. En Ik zal door jou de strijdwagen verbrijzelen en zijn strijdwagenmenner.
22 En Ik zal door jou man en vrouw verbrijzelen en Ik zal door jou de oude man en de knaap verbrijzelen. En Ik zal door jou de uitgekozen jongeman en de maagd verbrijzelen.
23 En Ik zal door jou de herder en zijn bijeengedreven kudde verbrijzelen. En Ik zal door jou de boer en zijn span verbrijzelen. En Ik zal door jou gouverneurs en bestuurders verbrijzelen.
24 En Ik zal aan BabelBabel = wirwar en aan alle inwoners van ChaldeaChaldea = kluitenbrekers al hun kwaad terugbetalen dat zij voor jullie ogen in SionSion = burcht deden, zegt JAHWEH met nadruk.
25 Aanschouw, Ik ben tegen jou, berg van de ruïnerende, zegt JAHWEH met nadruk, ruïnerende van heel de aarde, en Ik strek Mijn hand uit tegen jou en Ik rol jou weg vanaf de steile rotsen en Ik maak jou tot een berg van verbrande woestenij.
26 En zij zullen van jou geen steen tot hoek nemen en een steen tot fundamenten, want jij bent aionische troosteloosheden, zegt JAHWEH met nadruk.
27 Heft een vaandel op op de aarde! Blaast een ramshoorn onder de naties! Heiligt naties tegen haar! Ontbiedt tegen haar de koninkrijken van AraratArarat = gebergte, MinniMinni = streek van Armenië rond het Wan meer en AskenazAskenaz = een man als besprenkeld of verspreid vuur! Geeft een maarschalk over haar aan! Doet paarden opgaan zoals knisterende jonge sprinkhanen!
28 Heiligt naties tegen haar, koningen van de MedenMeden = midden-land, haar gouverneurs en al haar bestuurders en heel het land van zijn heerschappij.
29 En de aarde zal schudden en zij zal barensweeën hebben, want de plannen van JAHWEH staan op tegen BabelBabel = wirwar, om het land van BabelBabel = wirwar te plaatsen tot troosteloosheid, waarin geen inwoner is.
30 De machtigen van BabelBabel = wirwar zien er van af om te vechten. Zij zitten in de bergvestingen. Hun macht is uitgedroogd, zij werden als vrouwen. Haar verblijfplaatsen zijn vernield, haar vergrendelingen werden verbroken.
31 De renner rent om de renner te ontmoeten en de nieuwsdrager om de nieuwsdrager te ontmoeten, om aan de koning van BabelBabel = wirwar te vertellen dat zijn stad vanaf het einde werd veroverd.
32 En de doorwaadbare plaatsen werden in bezit genomen en het moerasriet verbrandden zij met vuur. En de mannen van de oorlog zijn geagiteerd.
33 Want zo zegt JAHWEH van legermachten, Elohim van IsraëlIsraël = strijder van God: De dochter van BabelBabel = wirwar is als een dorsvloer, het is tijd haar te treden. Nog korte tijd, dan komt de tijd van haar oogst.
34 NebukadressarNebukadressar = Nabu, bescherm de erfzoon, koning van BabelBabel = wirwar, verslond mij, bracht mij in verwarring, hij stelde mij tot een vat van leegheid. Hij verzwolg mij als het monster, hij vulde zijn pens met mijn weelderigheden. Hij spoelde mij uit.
35 Mijn geweld en mijn vlees zijn tegen BabelBabel = wirwar, zegt de inwoonster van SionSion = burcht. En mijn bloed is tegen de inwoners van ChaldeaChaldea = kluitenbrekers, zegt JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter.
36 Daarom, zo zegt JAHWEH, aanschouw, Ik zal jouw rechtszaak voeren en Ik zal jouw wraakneming wreken en Ik zal haar zee droogleggen en Ik zal haar fontein doen opdrogen.
37 En BabelBabel = wirwar zal worden tot steenhopen, bewoning van jakhalzen, een ontzetting en gesis, want er is geen inwoner.
38 Tezamen brullen zij als de beschutte leeuwen, zij schudden zich uit als leeuwenwelpen.
39 Wanneer zij warm zijn zal Ik hun feestmalen stellen. En Ik zal hen dronken maken, opdat zij vrolijk zullen zijn. Dan slapen zij een aionische slaap en zij zullen niet ontwaken, zegt JAHWEH met nadruk.
40 Ik zal hen doen afdalen als bokkige lammeren naar de slachting, zowel rammen als bokken.
41 Hoe werd SesachSesach (of: Sesak) = jouw fijn linnen veroverd! En de lofprijzing van heel de aarde werd in bezit genomen. Hoe wordt BabelBabel = wirwar tot een ontzetting onder de naties!
42 De zee is op gegaan over BabelBabel = wirwar. Zij is bedekt door het rumoer van zijn golven.
43 Haar steden zijn tot een troosteloosheid geworden, een verdord land en een steppe, een land waarin niemand zal wonen en geen zoon van de mens zal er in passeren.
44 En Ik zal gericht brengen over BelBel (of: Baäl) = heer - de anti-god in BabelBabel = wirwar en Ik doe vanuit zijn mond uitgaan wat hij verzwolgen heeft. En de naties zullen niet meer naar hem toe stromen. Ook de muur van BabelBabel = wirwar zal vallen!
45 Gaat uit haar midden, Mijn volk, en doe ontsnappen, ieder met zijn ziel, vanaf de hitte van de boosheid van JAHWEH,
46 opdat jullie hart niet timide zal worden en jullie vrezen over het bericht dat in het land wordt gehoord. Want in het jaar komt het bericht en in het jaar er na een ander bericht. En er is geweld in het land, heerser tegen heerser!
47 Daarom, aanschouw, dagen komen waarin Ik gericht zal brengen over de beeldsnijwerken van BabelBabel = wirwar bezoek. En heel haar land zal beschaamd staan en al haar gesneuvelden zullen vallen in haar midden.
48 En de hemelen en de aarde en alles dat in hen is zullen jubelen over BabelBabel = wirwar. Want vanaf het noorden zullen tegen haar de verwoesters komen, zegt JAHWEH met nadruk. Wees vrolijk over haar, hemel en de heiligen en de apostelen en de profeten, want °God oordeelt* jullie °oordeel over haar. (SW)[Openb. 18:20]
49 Ook zal BabelBabel = wirwar vallen vanwege de gesneuvelden van IsraëlIsraël = strijder van God, net zoals alle gesneuvelden van heel de aarde vielen voor BabelBabel = wirwar. En in haar werd bloed van profeten en van heiligen gevonden* en van allen die gedood werden op de aarde (SW) [Openb. 18:24]
50 Ontkomenen aan het zwaard, gaat! Het moet niet zo zijn dat jullie stil staan! Gedenkt van verre JAHWEH, en JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter zal opgaan over jullie hart.
51 Wij staan beschaamd, want wij hoorden smaad. Schaamrood bedekt onze gezichten, want vreemden kwamen in de heiligdommen van het huis van JAHWEH.
52 Daarom, aanschouw, dagen komen, zegt JAHWEH met nadruk, dat Ik gericht zal brengen over haar beeldsnijwerken en in heel haar land zal de dodelijk gewonde kreunen.
53 Want BabelBabel = wirwar gaat op naar de hemelen. En ook al zou zij de hoogte van haar sterkte verdedigen, vanaf Mij zullen de verwoesters tot haar komen, zegt JAHWEH met nadruk.
54 Het geluid van de uitroep vanaf BabelBabel = wirwar en een grote verbreking vanaf het land ChaldeaChaldea = kluitenbrekers,
55 want JAHWEH verwoest BabelBabel = wirwar en Hij vernietigt vanaf haar de grote stem. En hun golven maken rumoer als vele wateren; het tumult van hun stem wordt vergroot.
56 Want de verwoester komt tegen haar, tegen BabelBabel = wirwar, en haar machtige mannen worden gegrepen, hun bogen worden gekraakt. Want JAHWEH is een El van vergeldingen. Hij zal terugbetalen, ja terugbetalen.
57 En Ik zal haar oversten en haar wijze mannen, haar gouverneurs en haar bestuurders en haar machtige mannen dronken maken, en zij slapen een aionische slaap. En zij zullen niet ontwaken, zegt de Koning met nadruk. JAHWEH van legermachten is Zijn Naam.
58 Zo zegt JAHWEH van legermachten: De brede muren van BabelBabel = wirwar zullen met de grond gelijk gemaakt worden, ja met de grond gelijk, en haar verheven poorten zullen vernield worden in het vuur. En volken zullen alleen voor niets arbeiden en volkstammen arbeiden alleen voor vuur en zij zullen flauwvallen.
59 Het woord waarmee JeremiaJeremia = verhogen doet JAH, de profeet, instructie gaf aan SerajaSeraja = heerser is JAH, zoon van NeriaNeria = mijn licht is JAH, zoon van MachsejaMachseja = werk van JAH, toen hij met SedekiaSedekia = mijn gerechtigheid is JAH, koning van JudaJuda = lof, meeging naar BabelBabel = wirwar, in het vierde jaar van zijn regering. En SerajaSeraja = heerser is JAH was overste van de rustplaats.
60 En JeremiaJeremia = verhogen doet JAH schreef al het kwaad dat zou komen over BabelBabel = wirwar op é é n boekrol, al deze woorden die tegen BabelBabel = wirwar zijn geschreven.
61 En JeremiaJeremia = verhogen doet JAH zei tot SerajaSeraja = heerser is JAH: Wanneer jij in BabelBabel = wirwar komt en jij ziet en jij leest al deze woorden,
62 dan zeg jij: JAHWEH, U, U sprak over deze plaats om die af te snijden, zodat er daarin geen inwoner zal zijn, vanaf mens tot aan beest, want zij zal een aionische troosteloosheid worden.
63 En het zal zijn als jij eindigt met het lezen van deze boekrol, dat jij op hem een steen zal vastbinden en jij zal hem midden in de EufraatEufraat = zoet water gooien.
64 En jij zegt: Zo zal BabelBabel = wirwar verdrinken en ze zal niet opstaan, door het aangezicht van het kwaad dat Ik over haar breng. En zij zullen flauwvallen. Tot aan hier de woorden van JeremiaJeremia = verhogen doet JAH. En een sterke boodschapper tilt* een steen als een grote molensteen en hij werpt* die in de zee, zeggende: Zo voortsnellend zal Babel, de grote stad, geworpen worden en zij zal niet meer gevonden* worden (SW) [Openb. 18:21]



Terug naar de indexpagina
Naar Jeremia 52
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.