Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Jesaja
Hoofdstuk 36

Jesaja trad op van ca. 750 tot ca. 700 v.C.

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
ga met de muis op een groen woord staan, dan ziet u de betekenis)


1 En het was in het veertiende jaar van koning HizkiaHizkia = JAHWEH is mijn kracht, dat SanheribSanherib = (de maangod) Sin heeft de (overleden) broertjes vergoed, koning van AssurAssur = vlakte, opkwam over alle verdedigde steden van JudaJuda = lof en hij ze in bezit nam.
2 En de koning van AssurAssur = vlakte zond de groot bekerdrager van LachisLachis = onoverwinnelijk naar JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter, naar koning HizkiaHizkia = JAHWEH is mijn kracht, met een massieve strijdmacht. En hij staat in de watergang van het bovenste reservoir, bij de hoofdweg van het veld van de kledingwasser.
3 En EljakimEljakim = God doet opstaan, zoon van ChilkiaChilkia = mijn deel is JAH, die over het huis gaat, en SebnaSebna = kracht, de schrijver, en JoachJoach = JAH is broeder, zoon van AsafAsaf = (JAH) voegt toe, de verslaggever, gaan tot hem uit.
4 En de groot bekerdrager zegt tot hen: Zegt alstublieft tot HizkiaHizkia = JAHWEH is mijn kracht: Zo zegt de grote koning van AssurAssur = vlakte, wat is dit vertrouwen waarmee u vertrouwt?
5 Ik zeg: Ja, een woord van lippen voor beraadslaging en macht voor de oorlog! Nu, op wie vertrouw jij? Want jij komt in opstand tegen mij!
6 Aanschouw, jij vertrouwt op een leunstaf van riet, op dit gekneusde riet, op EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn), waarop een man zich zal ondersteunen en hij komt in zijn handpalm en hij doorboort haar. Zo is Farao, koning van EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn), voor allen die op hem vertrouwen.
7 En dat jij tot mij zegt: Op JAHWEH, onze Elohim, vertrouwen wij! Is het niet Hij die de hoge plaatsen en altaren van HizkiaHizkia = JAHWEH is mijn kracht wegnam en tot JudaJuda = lof en JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter zei: Voor het aangezicht van dit altaar zullen jullie aanbidden.
8 En nu, onderhandel alstublieft met mijn heer, de koning van AssurAssur = vlakte. Dan zal ik u twee duizend paarden geven, indien u voor u ruiters op hen kan geven.
9 En hoe zul jij dan het aangezicht van de gouverneur van é é n van mijn heer's kleine dienaren doen omkeren, wanneer je voor jezelf vertrouwt op EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) voor strijdwagens en voor ruiters?
10 En nu, is het buiten JAHWEH gezien dat ik opkwam over dit land om het te gronde te richten? JAHWEH zei tot mij: Ga op naar dit land en ruïneer het!
11 En EljakimEljakim = God doet opstaan en SebnaSebna = kracht en JoachJoach = JAH is broeder zeggen tot de groot bekerdrager: Spreek alstublieft tot uw dienaren in het Aramees, want dat verstaan wij. En het moet niet zo zijn dat u tot ons Judees spreekt in de oren van het volk dat op de muur is.
12 En de groot bekerdrager zei: Tot jouw heer en tot jou zond mijn heer mij om deze woorden te spreken, niet tot de mannen die zitten op de muur om met jullie hun uitwerpselen te eten en om hun urines te drinken.
13 En de groot bekerdrager staat en hij roept met grote stem in het Judees en hij zegt: Hoort de woorden van de grote koning, de koning van AssurAssur = vlakte!
14 Zo zegt de koning! Het moet niet zo zijn dat HizkiaHizkia = JAHWEH is mijn kracht jullie verleidt, want hij kan jullie niet uitredden.
15 En het moet niet zo zijn dat HizkiaHizkia = JAHWEH is mijn kracht jullie doet vertrouwen op JAHWEH, zeggend: JAHWEH zal ons zeker uitredden, want deze stad zal niet in de hand van de koning van AssurAssur = vlakte gegeven worden.
16 Het moet niet zo zijn dat jullie naar HizkiaHizkia = JAHWEH is mijn kracht luisteren, want zo zegt de koning van AssurAssur = vlakte: Maakt mij een zegen en gaat uit tot mij en eet, ieder van zijn wijnstok en ieder van zijn vijgenboom, en drinkt, ieder water uit zijn reservoir,
17 totdat ik kom en ik jullie meeneem naar een land zoals jullie land, een land van graan en van druivensap, een land van brood en wijngaarden,
18 opdat HizkiaHizkia = JAHWEH is mijn kracht jullie niet aanzet, zeggend: JAHWEH zal ons uitredden. Hebben de elohim van de naties iemands land gered uit de hand van de koning van AssurAssur = vlakte?
19 Waar zijn de elohim van HamatHamat = ommuurd en ArpadArpad = legerplaats, waar zijn de elohim van SefarwaïmSefarwaïm = de twee Sipparas? En wanneer redden zij SamariaSamaria = waker uit mijn hand?
20 Wie onder alle elohim van deze landen redden hun land uit mijn hand, dat JAHWEH JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter uit mijn hand zal uitredden?
21 En zij hielden zich stil en antwoordden hem met geen woord, want de instructie van de koning was, zeggend: Jullie zullen hem niet antwoorden.
22 En EljakimEljakim = God doet opstaan, zoon van ChilkiaChilkia = mijn deel is JAH, die over het huis gaat, en SebnaSebna = kracht, de schrijver, en JoachJoach = JAH is broeder, zoon van AsafAsaf = (JAH) voegt toe, de verslaggever, komen tot HizkiaHizkia = JAHWEH is mijn kracht met gescheurde kledingstukken en zij vertellen hem de woorden van de groot bekerdrager.

Terug naar de indexpagina
Naar Jesaja 37
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.