Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Nehemia
Hoofdstuk 13

Het boek Nehemia betreft de periode 445-430 v.Chr.

   
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam, dan ziet u de betekenis)


1 In die dag werd in de boekrol van MozesMozes = doen vergeten, getrokken, uit het water halen gelezen in de oren van het volk en men vond er in geschreven dat geen Ammoniet en Moabiet zal komen in de samenkomst van de Elohim, tot aan de aion,
2 want zij hadden de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God geen bijstand verleend met brood en met water en men huurde BileamBileam = verslinder van het volk tegen hen om van hem een vloek uit te spreken. En onze Elohim keerde het vloek uitspreken om tot zegen. 3 Geen Ammoniet of Moabiet zal komen in de bijeenkomst van JAHWEH, zelfs de tiende generatie van hen zal niet in de bijeenkomst van JAHWEH komen, tot de aion,
4 vanwege het feit dat zij jullie niet hielpen met brood en met water op de weg van jullie uittrekken uit Egypte en omdat hij tegen jou Bileam, zoon van Beor, huurde, uit Pethor, Aram-NaharaÔm, om jou te doden.
5 Maar JAHWEH, jouw Elohim, wilde niet luisteren naar Bileam; en JAHWEH, jouw Elohim, keerde voor jou de slachting om tot zegen, want JAHWEH, jouw Elohim, houdt van jou. (SW)
[Deut. 23:3-5]

3 En het gebeurde toen zij de wet hoorden dat zij uit IsraŽlIsraŽl = strijder van God allen van gemende afkomst afzonderden.
4 En vůůr deze was EljasibEljasib = God herstelt, de priester, aangesteld geworden over de vertrekken van het huis van onze Elohim; hij stond dichtbij TobiaTobia = goed is Jah.
5 En hij maakte voor hem een groot vertrek, en daar waren tevoren het erkenningsoffer, de wierook en de voorwerpen en de tiende van het graan, het druivensap en de helder gemaakte olie, naar de instructie aan de Levieten, en de zangers en de poortwachters en het hefoffer van de priesters gebracht.
6 En tijdens dit alles was ik niet in JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter, want in het twee en dertigste jaar van ArtachsastaArtachsasta = die een koninkrijk van Arta, rechtvaardigheid, heeft, koning van BabelBabel = verwarring, kwam ik tot de koning. Maar aan het einde van de dagen vroeg ik verlof aan de koning.
7 En ik kwam naar JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter en ik begreep het kwade dat EljasibEljasib = God herstelt deed voor TobiaTobia = goed is Jah, om voor hem ruimte te maken in de hoven van het huis van de Elohim.
8 En het was mij uitermate kwaad voor ogen en ik gooide alle voorwerpen van het huishouden uit het huis van TobiaTobia = goed is Jah naar buiten, uit het vertrek.
9 En ik sprak en zij reinigden de vertrekken en ik deed daar de voorwerpen van het huis van de Elohim terugkeren, het erkenningsoffer en de wierook.
10 En ik wist dat de toegewezen porties van de Levieten niet werden gegeven. En de Levieten, die het werk deden, haastten zich weg, ieder naar zijn veld, net als de zangers. Bewaak jezelf, anders laat je de Leviet in de steek, al jouw dagen op jouw grond (SW)[Deut. 12:19]
11 En ik twistte met de bestuurders en ik zei: "Om welke reden werd het huis van de Elohim verlaten?" En ik riep hen bijeen en ik installeerde hen op hun standplaats.
12 En heel JudaJuda = lof bracht de tiende van het graan en van het druivensap en van de helder gemaakte olie naar de schatkamers. Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen. (SW) [Mal. 3:10]
13 En ik stelde schatbewaarders aan over de schatkamers: SelemjaSelemja = vrede is Jah, de priester, en SadokSadok = rechtvaardig, de schrijver, en PedajaPedaja = Jah heeft losgekocht van de Levieten, samen met ChananChanan = genadig is Jah, zoon van ZakkurZakkur = bewaard (in Gods herinnering), zoon van MattanjaMattanja = geschenk van Jah, want zij werden geacht betrouwbaar te zijn; en aan hen was het om op te delen aan hun broeders.
14 "Gedenk mij, mijn Elohim, in deze, en het moet niet zo zijn dat U mijn getrouwheid uitwist, die ik deed in het huis van mijn Elohim en in Zijn onderhoud."
15 En in die dagen zag ik in JudaJuda = lof sommigen die wijnpersen traden in de sabbat en die graanstapels brachten en op de ezels laadden, en ook wijn, druiven en vijgen en alle last, en het naar JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter brachten in de sabbatdag en ik getuigde tegen hen in de dag dat zij hun proviand verkochten. 8 Herinner je de dag van de sabbat, om die te heiligen.
9 Zes dagen zul jij dienen en doe jij al jouw werk,
10 en de zevende dag is een sabbat voor JAHWEH, jouw Elohim. Jij zal geen enkel werk doen, en jouw zoon en jouw dochter en jouw dienaar en jouw meid en jouw beest en jouw bijwoner die in jouw poorten is. (SW)
[Exo. 20:8-10]

16 En de TyriŽrs woonden in haar, vis brengend en alle koopwaar. En zij verkochten in de sabbat aan de zonen van JudaJuda = lof en in JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter.
17 En ik twistte met notabelen van JudaJuda = lof en ik zei tot hen: "Wat is deze kwade zaak die jullie doen door de dag van de sabbat te ontwijden?
18 Deden jullie vaders niet net zo, dat onze Elohim al dit kwaad over ons en over deze stad bracht? En jullie voegen hitte toe over IsraŽlIsraŽl = strijder van God door de sabbat te ontwijden!"
19 En het gebeurde toen de poorten van JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter in de schaduw kwamen voor het aangezicht van de sabbat, dat ik sprak. En de deuren werden gesloten. En ik zei dat men ze niet zal openen tot na de sabbat. En van mijn knapen deed ik staan op de poorten. En er kwam geen last binnen in de sabbatdag.
20 En die handel dreven en de verkopers van alle koopwaar overnachtten aan de buitenzijde van JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter, ťťn keer en een tweede keer.
21 En ik getuigde tegen hen en ik sprak tot hen: "Wat is de reden dat jullie overnachten vůůr de muur? Indien jullie dat herhalen zal ik mijn hand tegen jullie zenden!" Vanaf die tijd kwamen zij niet meer tijdens de sabbat.
22 En ik zei tot de Levieten dat zij zichzelf reinigen en komen als bewakers van de poorten om de dag van de sabbat te heiligen. "Gedenk U mij ook in deze, mijn Elohim, en heb medelijden met mij naar de veelheid van Uw getrouwheid!"
23 Ook in die dagen zag ik de JudeeŽrs, die Asdoditische, Ammonitische en Moabitische vrouwen bij zich deden wonen.
24 En van hun zonen sprak de helft Asdoditisch of de gesproken taal van dit of dat volk; maar er was geen van hen die wist hoe Judees te spreken.
25 En ik twistte met hen en ik sprak een vloek uit over hen en ik sloeg de mannen onder hen en ik trok hun haren uit en ik deed hen zweren bij Elohim: "Indien jullie je dochters geven aan hun zonen en indien jullie van hun dochters verkrijgen voor jullie zonen! 15 opdat jij niet een verbond snijdt met de bewoner van het land en zij prostitueren achter hun elohim aan en jij aan hun elohim offert en hij naar jou roept en jij van zijn offer eet,
16 en jij van zijn dochters neemt voor jouw zonen en zijn dochters achter hun elohim aan prostitueren en zij jouw zonen achter hun elohim aan doen prostitueren. (SW)
[Exo. 34:15,16]

26 Was het niet vanwege deze zaken dat SalomoSalomo = man van vrede, koning van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, zondigde? En in de vele naties was er geen koning zoals hij en hij werd geliefd door zijn Elohim. En Elohim gaf hem als koning over heel IsraŽlIsraŽl = strijder van God; zelfs hem deden de uitheemse vrouwen zondigen. 24 En David troost Bath-Sheba, zijn vrouw. En hij komt tot haar en hij ligt met haar neer. En zij baart hem een zoon en zij noemt zijn naam Salomo. En JAHWEH had hem lief.
25 En Hij zendt door de hand van Nathan, de profeet, en hij noemt zijn naam Jedidjah, omwille van JAHWEH. (SW)
[2Sam. 12:24,25]

27 En wat jullie betreft, stemmen wij dan er mee in dat jullie al dit grote kwaad doen om tegen onze Elohim te krenken, door uitheemse vrouwen bij jullie te doen wonen?"
28 En ťťn van de zonen van JojadaJojada = JAH kent, zoon van EljasibEljasib = God herstelt, de hogepriester, was schoonzoon van SanballatSanballat = (de maangod) Sin geeft leven, de Choroniet, en ik dreef hem van mij weg. En het gebeurde toen Sanballat hoorde dat wij de muur bouwen dat hij heet van woede werd en hij zich zeer ergerde en hij de JudeeŽrs bespotte. (SW) [Neh. 4:1]
29 "Gedenk hen, mijn Elohim, vanwege hun bezoedelingen van het priesterschap en het verbond van het priesterschap en de Levieten."
30 En ik reinigde hen van al het uitheemse en ik installeerde opdrachten voor de priesters en voor de Levieten, een ieder naar zijn werk,
31 en voor het naderingsgeschenk van het hout op vastgestelde tijden en voor de eerste vruchten. "Gedenk mij, mijn Elohim, ten goede."

Terug naar de indexpagina
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinde zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.