Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
EzechiŽl
Het boek EzechiŽl is waarschijnlijk geschreven
tussen 593 en 565 voor Christus,
tijdens de Babylonische ballingschap van de Joden.

Hoofdstuk 14

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 En mannen van de oudsten van IsraŽlIsraŽl = strijder van God kwamen tot mij en zaten voor mijn aangezicht.
2 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend:
3 Zoon van de mens, deze mannen zetten hun drollenafgoden op hun hart en zij gaven een struikelblok van hun verdorvenheid tegenover hun aangezichten. Zal ik dan door hen geraadpleegd worden?
4 Daarom, spreek met hen en zeg tot hen: Zo zegt mijn Heer JAHWEH: Elke man uit het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God die zijn drollenafgoden zet op zijn hart en een struikelblok van zijn verdorvenheid plaatst tegenover zijn aangezicht en naar de profeet komt, Ik, JAHWEH, Ik zal hem hiervoor antwoorden naar de veelheid van zijn drollenafgoden,
5 om het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God bij hun hart te grijpen dat zij van Mij vervreemd hebben door hun drollenafgoden, allemaal.
6 Daarom, zeg tot het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God: Zo zegt mijn Heer JAHWEH! Keert terug en keert je af van jullie drollenafgoden en keert jullie aangezichten af van al jullie afschuwelijkheden.
7 Want elke man van het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God en van de tijdelijke verblijver die tijdelijk verblijft in IsraŽlIsraŽl = strijder van God en die zich van achter Mij apart houdt en zijn drollenafgoden zet op zijn hart en een struikelblok van zijn verdorvenheid tegenover zijn aangezicht plaatst en naar de profeet komt om bij hem over Mij te raadplegen, Ik zal hem Zelf antwoorden.
8 En Ik zal Mijn aangezicht geven tegen die man en Ik zal hem tot een teken en een spreekwoord plaatsen, en Ik zal hem afsnijden uit het midden van Mijn volk. En jullie zullen weten dat Ik JAHWEH ben.
9 En de profeet, wanneer hij verlokt wordt en hij een woord spreekt, Ik, JAHWEH, Ik verlok die profeet, en Ik strek Mijn hand tegen hem uit en Ik roei hem uit uit het midden van Mijn volk, IsraŽlIsraŽl = strijder van God.
10 En zij zullen hun verdorvenheid dragen. Zoals de verdorvenheid van de raadpleger, zo zal de verdorvenheid van de profeet zijn,
11 opdat het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God niet meer van achter Mij zal afdwalen en zij zichzelf niet meer verontreinigen door al hun overtredingen, maar zij voor Mij tot volk worden en Ik voor hen tot Elohim zal zijn, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.
12 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend:
13 Zoon van de mens, het land, wanneer het tegen Mij zondigt door een krenking te krenken, dan strek Ik Mijn hand tegen haar uit en breek Ik haar staf van brood en zend Ik hongersnood tegen haar en snij Ik van haar mens en beest af.
14 En indien deze drie mannen in hun midden zouden komen, NoachNoach = rust, DaniŽlDaniŽl = rechter is God en JobJob = wederkerend of gehaat, dan zouden zij door hun rechtvaardigheid alleen hun ziel uitredden, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.
15 Stel Ik doe een wild dier door het land passeren en het berooft het van haar kinderen en het wordt een troosteloosheid, zonder dat iemand passeert, vanwege het aangezicht van het dier,
16 en deze drie mannen in haar midden zouden zijn, zo waar Ik leef, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk, zonen noch dochters zouden zij uitredden. Zij, alleen zij, zouden uitgered worden en het land wordt tot troosteloosheid.
17 Of indien Ik een zwaard zou brengen tegen dat land en Ik zei: Een zwaard zal in het land passeren en Ik snij uit haar mens en beest af,
18 en deze drie mannen in haar midden waren, zo waar Ik leef, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk, zij zouden geen zonen of dochters uitredden, want alleen zij, zij worden gered.
19 Of indien Ik de pest zond naar dat land en Ik Mijn woede over haar uitgoot in bloed, om vanuit haar mens en beest af te snijden,
20 en NoachNoach = rust, DaniŽlDaniŽl = rechter is God en JobJob = wederkerend of gehaat waren in hun midden, zo waar Ik leef, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk, zoon noch dochter zouden zij uitredden; in hun rechtvaardigheid redden zij hun ziel uit.
21 Want zo zegt mijn Heer JAHWEH: Inderdaad, want Ik zond mijn vier kwade oordelen, zwaard, hongersnood, het wilde dier en de pest naar JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter, uit haar mens en beest afsnijdend, En ik nam* waar en zie*, een groen paard en die op het paard zit, zijn įnaam is de dood en het Dodenrijk volgende hem, en aan hem werd het gezag gegeven* over het vierde van de aarde om te doden* met het zwaard en met hongersnood en met de dood en door de wilde beesten van de aarde. (SW)[Openb. 6:8]
22 maar aanschouw, er resteert in haar ontkoming, die uitgebracht worden, zonen en dochters. Aanschouw, zij gaan uit naar jullie en jullie zien hun weg en hun praktijken en jullie worden getroost over het kwaad dat Ik breng over JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter, alles wat Ik over haar breng.
23 En zij zullen jullie vertroost maken, want jullie zullen hun weg zien en hun praktijken. En jullie zullen weten dat Ik dit niet zonder reden deed, al wat Ik tegen haar deed, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.

Terug naar de indexpagina
Naar EzechiŽl 15
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.