Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
EzechiŽl
Het boek EzechiŽl is waarschijnlijk geschreven
tussen 593 en 565 voor Christus,
tijdens de Babylonische ballingschap van de Joden.

Hoofdstuk 18

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend:
2 Wat is het voor jullie, dat jullie dit spreekwoord citeren op de grond van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, zeggend: De vaders aten onrijpe druiven en de tanden van de zonen zijn afgesleten geworden. In die dagen zullen zij niet langer zeggen: De vaders aten onrijpe druiven en de tanden van de zonen werden stomp (SW) [Jer. 31:29]
3 Zo waar Ik leef, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk, jullie zullen dit spreekwoord niet nog in IsraŽlIsraŽl = strijder van God citeren.
4 Aanschouw, alle zielen zijn van Mij; zij, net als de ziel van de vader en als de ziel van de zoon, zij zijn van Mij! De ziel die zondigt, zij zal sterven.
5 En een man, wanneer die rechtvaardig wordt en hij oordeel doet en rechtspleging,
6 hij eet niet op de bergen en zijn ogen heft hij niet op naar de drollenafgoden van het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God en de vrouw van zijn naaste verontreinigt hij niet en tot een vrouw in haar onzuiverheid nadert hij niet.
7 En hij tiranniseert een andere man niet, hij herstelt zijn onderpand aan de schuldenaar, roof grist hij niet weg, zijn brood geeft hij aan de hongerige en de naakte bedekt hij met een kledingstuk.
8 Hij geeft niet tegen rente en hij neemt geen opgebouwde rente. Hij keert zijn hand af van onrechtvaardigheid, hij doet een oordeel van waarheid tussen man en man.
9 Hij gaat naar Mijn statuten en hij neemt Mijn verordeningen in acht, waarheid doende; hij is rechtvaardig. Hij zal leven hebben, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk. En jullie zullen Mijn verordeningen en Mijn oordelen waarnemen, want de mens die ze doet zal er in leven. Ik ben JAHWEH! (SW) [Lev. 18:5]
10 Maar hij brengt een zoon voort, een inbreker, die bloed vergiet. En hij maakte een broeder van een van deze.
11 En hij? Al deze dingen heeft hij niet gedaan, want ook van de bergen at hij en hij verontreinigde de vrouw van zijn naaste.
12 De nederige en de behoeftige tiranniseert hij, roof grist hij weg. Aan een belofte houdt hij zich niet en naar de drollenafgoden heft hij zijn ogen op. Hij doet gruwelen.
13 Tegen rente leent hij uit en hij neemt winst. En hij zal zeker niet leven! Door al deze gruwelen die hij doet zal hij stervend ter dood gebracht worden. Zijn bloed zal tegen hem komen.
14 En zie, hij verwekt een zoon en hij ziet al de zonden van zijn vader, die hij doet. En hij ziet het, maar hij doet niet zo als hen.
15 Op de bergen eet hij niet en zijn ogen heft hij niet op naar de drollenafgoden van het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God. De vrouw van zijn naaste verontreinigt hij niet.
16 En hij tiranniseert niet een andere man, een onderpand neemt hij niet als pand en roof grist hij niet weg. Zij brood geeft hij aan de hongerige en de naakte bedekt hij met een kledingstuk.
17 Van de nederige doet hij zijn hand terugkeren, rente en opgebouwde rente neemt hij niet. Mijn verordeningen doet hij, naar Mijn statuten gaat hij. Hij, hij zal niet sterven in de verdorvenheid van zijn vader. Hij zal leven, ja leven.
18 Zijn vader, omdat hij afperst met afpersing, rooft roof van een broeder, en wat niet goed is doet hij te midden van zijn volksgenoten. En aanschouw, hij sterft in zijn verdorvenheid.
19 En jullie zeggen: Om welke reden draagt de zoon niet de verdorvenheid van de vader? Wanneer de zoon oordeel en rechtspleging doet en hij al Mijn statuten in acht neemt en ze doet, zal hij leven, ja leven!
20 De ziel die zondigt die zal sterven. De zoon zal de verdorvenheid van de vader niet dragen en een vader zal de verdorvenheid van de zoon niet dragen. Rechtvaardigheid van de rechtvaardige zal op hem zijn en slechtheid van de slechte zal op hem zijn. Vaders zullen niet ter dood gebracht worden om hun zonen en zonen zullen niet ter dood gebracht worden om hun vaders. Ieder zal ter door gebracht worden om zijn zonde (SW)[Deut. 24:16]
21 En de slechte, wanneer hij terugkeert van elke zonde die hij deed en al Mijn statuten in acht neemt en oordeel en rechtspleging doet, hij zal leven, ja leven! Hij zal niet sterven.
22 Al zijn overtredingen die hij deed zullen niet tegen hem in herinnering gebracht worden. In zijn rechtvaardigheid die hij doet zal hij leven.
23 Schep Ik een behagen, ja behagen, in de dood van een slechte, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk, niet in zijn terugkeren van zijn wegen, opdat hij zal leven?
24 Maar wanneer een rechtvaardige terugkeert van zijn rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid doet zoals alle afschuwelijkheden die de slechte doet, zal hij het doen en leven? Elke van zijn rechtvaardigheden die hij deed, zal die niet herinnerd worden bij zijn krenking die hij krenking en bij zijn zonde die hij zondigde? In hen zal hij sterven.
25 En jullie zeggen: De weg van mijn Heer is niet volgens de regels! Hoort, alstublieft, huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God! Is Mijn weg niet volgens de regels? Zijn jullie wegen niet volgens de regels?
26 Wanneer de rechtvaardigde terugkeert van zijn rechtvaardigheid en hij onrechtvaardigheid doet, dan sterft hij vanwege hen. In zijn onrechtvaardigheid die hij doet zal hij sterven.
27 Maar wanneer de slechte terugkeert van zijn slechtheid die hij deed, en oordeel doet en rechtspleging, zal hij zijn ziel in leven houden.
28 Wanneer hij ziet, en hij terugkeert van al zijn overtredingen die hij deed, zal hij leven, ja leven; hij zal niet sterven.
29 En het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God zegt: De weg van mijn Heer is niet volgens de regels! Zijn Mijn wegen niet volgens de regels, huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God? Of zijn jullie wegen niet volgens de regels?
30 Daarom zal Ik jullie, een ieder, beoordelen naar zijn wegen, huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk! Keert terug en keert je af van al jullie overtredingen en het zal voor jullie geen struikelblok van verdorvenheid worden.
31 Gooit al jullie overtredingen van jullie die jullie overtraden, en maakt voor julliezelf een nieuw hart en een nieuwe geest. Want waarom zouden jullie sterven, huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God?
32 Want Ik schep geen behagen in de dood van de stervende, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk. En keert je af en leeft!

Terug naar de indexpagina
Naar EzechiŽl 19
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.