Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
EzechiŽl
Het boek EzechiŽl is waarschijnlijk geschreven
tussen 593 en 565 voor Christus,
tijdens de Babylonische ballingschap van de Joden.

Hoofdstuk 32

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 En het was in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, in de eerste dag van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggend:
2 Zoon van de mens, hef een klaaglied aan over FaraoFarao = het grote huis, koning van EgypteEgypte = (egyptisch)huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn), en jij zal tot hem zeggen: Jij wordt vergeleken met een beschutte welp van de naties en jij bent als het monster in de zeeŽn. En jij stormt tevoorschijn in jouw stromen en jij vertroebelt de wateren met jouw voeten en jij vervuilt hun stromen.
3 Zo zegt mijn Heer JAHWEH: Ik spreid over jouw Mijn net uit met een samenkomst van vele volken en zij brengen jou op in Mijn vangnet.
4 En Ik zal jou in het land in de steek laten; op de oppervlakte van het veld zal Ik jou wegslingeren en Ik doe al wat vliegt op jou verblijven. En Ik doe uit jou de dieren van heel het land verzadigen.
5 En Ik zal jouw vlees geven op de bergen en Ik vul de ravijnen met jouw maden.
6 En Ik irrigeer het land met jouw vloeistof, van jouw bloed - tot aan de bergen, en beken zullen van jou gevuld worden.
7 En wanneer jij uitgedoofd zal zijn zal Ik de hemelen bedekken en Ik maak hun sterren somber. De zon, Ik zal hem bedekken met de wolk en de maan zal met zijn licht geen licht geven. 3 Voor zijn aangezicht verslindt een vuur en achter hem zet een vuurgloed in lichterlaaie. Zoals de tuin van Eden is het land voor zijn aangezicht en achter hem is een wildernis van troosteloosheid en ook is er geen ontkoming voor hem. (SW)[JoŽl 2:3]
8 Alle hemellichamen van licht in de hemelen zal Ik somber maken over jou en Ik zal duisternis geven over jouw land, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.
9 En Ik zal het hart van vele volken tergen wanneer Ik jouw gebrokenheid breng onder de naties, in landen die jij niet kent.
10 Vanwege jou zal Ik vele volken troosteloos maken en hun koningen zullen vanwege jou met afgrijzen vervuld worden, afgrijzen wanneer Ik Mijn zwaard doe zwiepen voor hun aangezichten. En zij zullen ieder moment beven, elk voor zijn ziel, in de dag van jouw val.
11 Want zo zegt mijn Heer JAHWEH: Het zwaard van de koning van BabylonBabylon = wirwar zal over jou komen!
12 Door de zwaarden van machtige mannen zal Ik jouw schare doen vallen; zij allen zijn verschrikkers van de naties. En zij verwoesten de praal van EgypteEgypte = (egyptisch)huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn), en heel haar schare zal uitgeroeid worden.
13 En Ik zal elk beest van haar vernietigen bij vele wateren en geen voet van een mens zal ze meer vertroebelen, noch zullen de hoeven van een beest ze vertroebelen.
14 Dan zal Ik hun wateren doen neerzinken en hun stromen zal Ik doen gaan als olie, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk,
15 wanneer Ik het land van EgypteEgypte = (egyptisch)huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) overgeef aan troosteloosheid. En het land zal troosteloos gemaakt worden van haar volheid, wanneer Ik al haar inwoners neersla. En zij zullen weten dat Ik JAHWEH ben.
16 Dit is een klaaglied en zij zingen haar klaaglied. De dochters van de naties zullen haar klaaglied zingen; over EgypteEgypte = (egyptisch)huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) en over heel haar schare zullen zij een klaaglied zingen, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.
17 En het was in het twaalfde jaar, in de vijftiende van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggend:
18 Zoon van de mens, maak een klaagzang over de schare van EgypteEgypte = (egyptisch)huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) en doe hem neerdalen, jij en de dochters van edele naties, naar de onderste delen van de aarde, met die neerdalen in het onderaards gewelf.
19 Ben jij aangenamer dan wie? Daal af en wordt neergelegd met onbesnedenen!
20 Te midden van gesneuvelden van het zwaard zullen zij vallen. Haar wordt een zwaard gegeven. Doe haar neerkomen en al haar scharen!
21 Onderwerpers van machtige mannen zullen tot hem spreken, vanuit het midden van het dodenrijk. Met zijn helpers dalen zij neer. De onbesnedenen zullen liggen bij de gesneuvelden door het zwaard.
22 AssurAssur = rood is daar en heel haar samenkomst, rondom hem zijn graven zijn, allen van hen gesneuvelden, de gevallenen door het zwaard,
23 van wie hun graven gegeven worden in de uithoeken van het onderaards gewelf. En haar samenkomst zal rondom haar graf zijn, allen van hen gesneuvelden, gevallen door het zwaard, die hun ontsteltenis gaven in het land van de levenden.
24 ElamElam = aionisch is daar en heel haar schare, rondom haar graf, allen van hen gesneuvelden, gevallenen door het zwaard, die als onbesnedenen zijn afgedaald naar de onderste delen van de aarde, die hun ontsteltenis gaven in het land van de levenden. En zij dragen hun schaamrood met die neerdalen in het onderaards gewelf.
25 Te midden van gesneuvelden geven zij een bed aan haar, met heel haar schare. Haar graven zijn rondom hem, allen van hen onbesnedenen, gesneuvelden door het zwaard. Want hun ontsteltenis wordt gegeven in het land van de levenden en zij dragen hun schaamrood met die neerdalen in het onderaards gewelf. Te midden van de gesneuvelden wordt hij gegeven.
26 Mesek-TubalMesek-Tubal = je zal worden gebracht is daar en heel haar schare. Rondom hem zijn haar graven, allen van hen onbesnedenen, gesneuvelden door het zwaard, want zij gaven hun ontsteltenis in het land van de levenden.
27 Maar zij liggen niet bij de gevallen machtige mannen uit de onbesnedenen, die met hun oorlogswerktuigen neerdaalden in het dodenrijk. En zij gaven hun zwaarden onder hun hoofden en hun verdorvenheden kwamen op hun botten, want er was ontzetting over de machtige mannen in het land van de levenden.
28 En jij zal verbroken worden te midden van de onbesnedenen en jij zal liggen bij die door het zwaard gesneuveld zijn.
29 EdomEdom = rood is daar, haar koningen en al haar vorsten, die in hun macht gegeven worden met die door het zwaard gesneuveld zijn. Zij liggen bij de onbesnedenen en bij die neerdalen in het onderaards gewelf.
30 De oppermachtigen van het noorden komen daarheen, allemaal, en alle SidonSidon = visserij (-stad)iŽrs die neerdaalden met de gesneuvelden. Vanwege hun macht staan zij beschaamd. En de onbesnedenen liggen bij de gesneuvelden door het zwaard. En zij dragen hun schaamrood met die neerdalen in het onderaards gewelf.
31 FaraoFarao = het grote huis zal hen zien en hij troost zich over zijn hele schare van door het zwaard gesneuvelden, FaraoFarao = het grote huis en heel zijn strijdmacht, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk,
32 want Ik heb hem Mijn ontsteltenis gegeven in het land van de levenden en hij wordt gelegd te midden van onbesnedenen, met gesneuvelden van het zwaard, FaraoFarao = het grote huis en heel zijn schare, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.

Terug naar de indexpagina
Naar EzechiŽl 33
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.