Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Ezechiël
Het boek Ezechiël is waarschijnlijk geschreven
tussen 593 en 565 voor Christus,
tijdens de Babylonische ballingschap van de Joden.

Hoofdstuk 43

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 En hij deed mij gaan naar een poort, de poort die naar de weg van het oosten gekeerd is.
2 En aanschouw, de heerlijkheid van de Elohim van IsraëlIsraël = strijder van God kwam van de weg van het oosten en Zijn geluid was als het geluid van vele wateren. En de aarde lichtte op door Zijn heerlijkheid. 3 En Mozes en Aäron gaan binnen bij Farao en zij zeggen tot hem: Zo zegt JAHWEH, Elohim van de Hebreeërs: Tot wanneer weiger jij vernederd te worden voor Mijn aangezicht? Zendt Mijn volk weg en zij zullen Mij dienen.
4 Want indien jij blijft weigeren Mijn volk weg te zenden, zie!, Ik breng morgen de sprinkhaan in jouw grensland. (SW)
[Eze. 10:3,4]

3 En de verschijning was als de verschijning die ik zag, zoals de verschijning die ik zag toen ik kwam om de stad te ruïneren, en de verschijningen waren als de verschijning die ik zag bij de rivier KebarKebar (of Chebar) = samenvoeging. En ik viel op mijn aangezicht.
4 En de heerlijkheid van JAHWEH kwam tot het huis via de weg van de poort die uitziet op de weg van het oosten.
5 En de geest hief mij op en bracht mij naar de binnenste hof. En aanschouw, de heerlijkheid van JAHWEH vulde het huis.
6 En ik hoorde iemand tot mij spreken, vanuit het huis. En een man stond naast mij.
7 En Hij zei tot mij: Zoon van de mens, dit is de plaats van Mijn troon en de plaats van de zolen van Mijn voeten, daar waar Ik zal verblijven te midden van de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God, voor de aion. En het huis van IsraëlIsraël = strijder van God zal niet meer Mijn Naam verontreinigen, zij en hun koningen, door hun ontuchtpleging, en door de lijken van hun koningen in hun hoge plaatsen.
8 Doordat zij hun drempel gaven bij Mijn drempel en hun deurpost naast Mijn deurpost en de zijmuur tussen Mij en tussen hen, verontreinigden zij de naam van Mijn heiligheid door hun afschuwelijkheden die zij deden. En Ik maakte een einde aan hen in Mijn boosheid.
9 Nu zullen zij hun ontuchtpleging en de lijken van hun koningen ver van Mij verwijderen, dan verblijf Ik in hun midden voor de aion.
10 Jij, zoon van de mens, vertel het huis van IsraëlIsraël = strijder van God over het huis, dan zullen zij rood van schaamte zijn door hun verdorvenheden en meten zij de blauwdruk.
11 En indien zij rood van schaamte worden over alles wat ze deden, de vorm van het huis en zijn inrichting, zijn uitgangen en zijn ingangen en geheel zijn vorm en al zijn statuten met al zijn vormen, maak hen al zijn wetten bekend en schrijf het voor hun ogen. En zij zullen heel zijn vorm en al zijn statuten observeren en ze doen.
12 Dit is de wet van het huis: Op de top van de berg, heel zijn grondgebied rondom, rondom, zal heiligheid van heiligheden zijn. Aanschouw, dit is de wet van het huis.
13 En deze zijn de afmetingen van het altaar in ellen. Een el is een el en een handbreedte. De breedte van de verzamelgeul is een el en een el. En haar grensrand is tot aan haar lip, rondom, is é é n span; en dit is de verhevenheid van het altaar. 1 Jij zal het altaar maken van acaciahout, vijf ellen in lengte en vijf ellen in breedte. Het altaar zal vierkant zijn en zijn hoogte zal drie ellen zijn.
2 Jij zal zijn horens maken op zijn vier hoeken. Zij zullen zijn horens zijn en jij zal ze overtrekken met koper. (SW)
[Exo. 27;1,2]

14 En van de verzamelgeul van de aarde tot aan de onderste richel: twee ellen en de breedte is é é n el. En van de kleine richel tot aan de grote richel is het vier ellen en de breedte de el.
15 En de bergberg - de Septuagint heeft hier "altaar-haard." van El is vier ellen. En van de altaarhaard van El naar boven zijn de vier horens.
16 En de altaarhaard van El is twaalf in lengte bij twaalf in breedte, vierkant aan vier van zijn kanten.
17 En de richel is veertien in lengte bij veertien in breedte aan vier van haar kanten. En de grensrand rondom haar is een halve el. En haar verzamelgeul, rondom, is een el. En zijn trappen zijn gekeerd naar het oosten.
18 En hij zei tot mij: Zoon van de mens, zo zegt mijn Heer JAHWEH, deze zijn de statuten van het altaar in de dag dat het gemaakt wordt om er een opstijgoffer te doen opgaan en om er bloed op te sprenkelen. 36 En jij zal per dag een jonge stier klaar maken als zonde offer voor de bedekkingen, en jij maakt een zonde offer op het altaar bij het maken van jouw verzoening over hem. En jij zal hem zalven om hem te heiligen.
37 Zeven dagen zal jij verzoening doen boven het altaar en jij heiligt het. En het altaar wordt heiligheid van heiligheden. Al wat het altaar aanraakt zal heilig zijn. (SW)
[Exo. 29;36,37]

19 En jij zal aan de priesters, de Levieten, zij die zijn van het zaad van SadokSadok = rechtvaardig, de nabijen die tot Mij komen, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk, om Mijn dienst te verrichten een jonge stier geven, een zoon van het grootvee, tot zonde-offer.
20 En jij neemt er bloed van en jij geeft het op zijn vier horens en op de vier hoeken van de richel en op de grensrand, rondom; en jij zal er een zonde-offer voor maken en jij zal er een beschutting voor maken.
21 En jij zal de jonge stier van het zonde-offer nemen en men zal hem verbranden in de vastgestelde plaats van het huis, aan de buitenzijde van het heiligdom.
22 En in de tweede dag zal jij een onberispelijke van de harige geiten doen naderen voor het zonde-offer en zij zullen het altaar ontzondigen, zoals zij de jonge stier ontzondigen.
23 Wanneer jij jouw ontzondigen beëindigt zal jij een jonge stier doen naderen, een zoon van het grootvee, onberispelijk, en een ram van het kleinvee, onberispelijk.
24 En jij zal ze naderbij brengen voor het aangezicht van JAHWEH en de priesters zullen zout op hen gooien en zij doen ze opgaan, een opstijgoffer aan JAHWEH.
25 Zeven dagen zullen jullie een harige geit doen tot zonde-offer, dagelijks. En een jonge stier, zoon van het grootvee en een ram van het kleinvee, onberispelijken, zullen zij doen.
26 Zeven dagen zullen zij een beschutting voor het altaar maken en zij reinigen het en zij vullen hun handen.
27 En zij beëindigen de dagen. En het zal zijn in de achtste dag, en voorbij, dat de priesters jullie opstijgoffer en jullie vredeoffers zullen doen op het altaar en Ik zal jullie aanvaarden, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.

Terug naar de indexpagina
Naar Ezechiël 44
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.