Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Leviticus
Hoofdstuk 14

   
(Ga met de muis op een naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de betekenis of tekst)


1 En JAHWEH spreekt tot MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen, zeggend:
2 "Dit zal de wet van de melaats zijnde man worden in de dag van zijn reiniging, wanneer hij voor de priester gebracht wordt. En °Jezus zegt tot hem: Jij mag dit tot niemand zeggen*, maar ga weg en toon* jezelf aan de priester en breng* het geschenk dat Mozes gebiedt*, tot hun getuigenis. (SW)[Matt. 8:4]
3 Dan gaat de priester uit naar de buitenzijde van de legerplaats en de priester ziet hem en aanschouw!, de besmetting van de melaats zijnde man met de melaatsheid is genezen.
4 Dan geeft de priester instructie dat hij die zichzelf reinigt twee levende, reine vogels neemt, en hout van de ceder en herhaald gedompelde draad van karmozijn en hysop.
5 En de priester geeft instructie en hij slacht de ene vogel doodt in een aardewerken vat boven levend water.
6 Hij zal de levende vogel nemen en het hout van de ceder en de herhaald gedompelde draad van karmozijn en de hysop; en hij doopt hen, en de levende vogel, in het bloed van de vogel die geslacht is boven het levendemv watermv.
7 En hij spat zeven keren op degene die zichzelf reinigt van de melaatsheid, en hij verklaart hem rein. En hij zendt de levende vogel over de oppervlakte van het veld.
8 En die zichzelf reinigt spoelt zijn kleren en hij scheert al zijn haar kaal en hij wast in watermv; dan is hij rein. En daarna zal hij naar de legerplaats komen en en hij woont zeven dagen buiten zijn tent.
9 En het gebeurt in de zevende dag dat hij al zijn haar van zijn hoofd en van zijn baard kaal scheert, en de wenkbrauwen van zijn ogen. Ja, al zijn beharing zal hij kaalscheren. En hij spoelt zijn kleren en hij baadt zijn vlees in watermv. En hij is rein.
10 En in de achtste dag zal hij twee mannelijke lammeren nemen, onberispelijken, en é é n ooilam, dochter van haar jaar, onberispelijk, en drie tiende delen fijn meel, een erkenningsoffer, vermengd zijnde met olie, en é é n log olie.
11 En de priester doet de rein verklaarde, de man die zichzelf reinigde, met hen staan voor het aangezicht van JAHWEH bij de opening van de tent van de afspraak.
12 En de priester neemt het ene mannelijke lam en hij brengt het naderbij als schuldoffer, met de log olie, en hij wuift hen als een wuifoffer voor het aangezicht van JAHWEH.
13 En hij slacht het mannelijke lam in de plaats waar hij het zondeoffer en het opstijgoffer slacht in de plaats van heiligheid. Want zoals het zondeoffer, zo ook het schuldoffer, het is voor de priester; het is heiligheid van heiligheden.
14 En de priester neemt van het bloed van het schuldoffer en de priester geeft het op de lel van het rechteroor van die zichzelf reinigt en op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet.
15 En de priester neemt van de log met de olie en hij giet het op de linker handpalm van de priester,
16 en de priester doopt zijn rechter vinger in de olie die op zijn linker handpalm is, en hij spat van de olie met zijn vinger zeven keren voor het aangezicht van JAHWEH.
17 En van de rest van de olie die op zijn handpalm is zal de priester doen op de lel van het rechteroor van die zich reinigt en op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet, over het bloed van het schuldoffer.
18 En het resterende van de olie die op de handpalm van de priester is, zal hij geven op het hoofd van die zichzelf reinigt. En de priester maakt een beschutting bedekking over hem voor het aangezicht van JAHWEH.
19 En de priester maakt het zondeoffer en hij maakt een beschutting over die zichzelf reinigt van zijn onreinheid. En daarna zal hij het opstijgoffer slachten.
20 En de priester brengt het opstijgoffer en het erkenningsoffer naar voren, naar het altaar. En de priester maakt een beschutting over hem en hij is rein.
21 En indien hij arm is en zijn hand kan het niet veroorloven, dan neemt hij é é n mannelijk lam, een schuldoffer als wuifoffer, om een beschutting over hem te maken, en é é n tiende van fijn meel, vermengd in olie als erkennigsoffer, en een log olie,
22 en twee tortelduiven of twee zonen van de duif, wat zijn hand hem veroorlooft, en het ene is tot zondeoffer en het andere tot opstijgoffer.
23 En hij brengt ze in de achtste dag, voor zijn reiniging, naar de priester bij de opening van de tent van de afspraak, voor het aangezicht van JAHWEH.
24 En de priester neemt het mannelijke lam van het schuldoffer en de log olie, en de priester wuift ze als een wuifoffer voor het aangezicht van JAHWEH.
25 En hij slacht het mannelijke lam van het schuldoffer en de priester neemt van het bloed van het schuldoffer en hij doet het op de lel van het rechteroor van die zichzelf reinigt en op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet.
26 En van de olie zal de priester op de linkerhandpalm van de priester gieten.
27 En de priester spat met zijn rechtervinger van de olie die op zijn linkerhandpalm is, zeven keren, voor het aangezicht van JAHWEH.
28 En de priester doet van de olie die op zijn handpalm is op de lel van het rechteroor van die zichzelf reinigt en op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet, op de plaats van het bloed van het schuldoffer.
29 En het resterende van de olie, die op de handpalm van de priester is, zal hij doen op het hoofd van die zichzelf reinigt, om een beschutting over hem te maken voor het aangezicht van JAHWEH.
30 En hij zal de ene van de tortelduiven of van de zonen van de duif, van wat zijn hand hem veroorlooft, klaarmaken.
31 Van wat zijn hand veroorlooft is de ene voor het zondeoffer en de andere voor het opstijgoffer, op het erkenningsoffer. En de priester maakt een beschutting over die zichzelf reinigt voor het aangezicht van JAHWEH.
32 Dit is de wet voor die in zich een besmetting met melaatsheid heeft, van wie zijn hand niet meer kan veroorloven voor zijn reiniging."
33 En JAHWEH spreekt tot MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen en AäronAäron = lichtbrenger, zeggend:
34 "Wanneer jullie in het land van KanaänKanaän = laagland komen, dat Ik jullie tot grondbezit zal geven, en Ik breng een besmetting met melaatse schimmel in een huis in het land van jullie grondbezit,
35 dan komt hij van wie het huis is en hij vertelt het de priester, zeggend: 'Zoiets als een besmetting verscheen aan mij in het huis.'
36 En de priester geeft instructie en zij ruimen het huis uit voordat de priester komt om de besmetting te zien, zodat niet alles wat in het huis is onrein zal zijn. En daarna zal de priester komen om het huis te zien.
37 En hij ziet de besmetting en aanschouw!, de besmetting in de zijmuren van het huis zijn groenachtige of roodachtige ronde holtes en ze verschijnen laag in de zijmuur,
38 dan gaat de priester uit het huis, naar de opening van het huis, en hij sluit het huis zeven dagen.
39 En de priester keert terug in de zevende dag en hij ziet en aanschouw, de besmetting verspreidt zich in de zijmuren van het huis!
40 Dan geeft de priester instructie en zij trekken de stenen waarin de besmetting is uit en zij gooien die tot buiten de stad, in een onreine plaats.
41 En hij doet het huis aan de binnenkant uitgehakt worden, rondom, en zij gieten de losse pleisteraarde die zij afgeschrapt hebben tot buiten de stad, naar een onreine plaats.
42 En zij nemen andere stenen en zij brengen ze in plaats van de stenen. En hij zal andere losse aarde nemen en hij pleistert het huis.
43 En indien de besmetting terugkeert en hij bot uit in het huis nadat men de stenen uitgetrokken heeft en nadat het huis afgeschraapt werd en nadat het bepleisterd werd,
44 dan komt de priester en hij ziet, en aanschouw, de besmetting verspreidt zich in het huis; het is etterende melaatse schimmel in het huis. Het is onrein.
45 En men breekt het huis af, zijn stenen en zijn houtmv en alle losse pleisteraarde van het huis, en men brengt het tot buiten de stad, naar een onreine plaats.
46 En die tot het huis komt in alle dagen dat het gesloten is, hij zal onrein zijn tot aan de avond.
47 En die neerligt in het huis zal zijn kleren spoelen en die eet in het huis zal zijn kleren spoelen.
48 Maar indien de priester komt, ja komt, en hij ziet, en aanschouw, de besmetting verspreidt zich niet in het huis nadat het huis bepleisterd is geworden, dan verklaart de priester het huis rein, want de besmetting is geheeld.
49 En hij neemt om het huis te ontzondigen twee vogels en cederhout en herhaald gedompelde draad van karmozijn en hysop,
50 en hij slacht de ene vogel in een aardenwerken vat, boven levendmv watermv,
51 en hij neemt het hout van de ceder en de hysop en de herhaald gedompelde draad van het karmozijn en de levende vogel, en hij doopt ze in het bloed van de geslachte vogel en in het levendemv watermv en hij spat het op het huis, zeven keren.
52 En hij ontzondigt het huis met het bloed van de vogel en met het levendemv watermv en met de levende vogel en met het cederhout en met de hysop en met de herhaald gedompelde draad van het karmozijn.
53 En hij zendt de levende vogel, buiten de stad, op de oppervlakte van het veld. En hij maakt een beschutting over het huis. En het is rein.
54 Dit is de wet voor elke besmetting met melaatsheid en met haarschimmel,
55 en voor de melaatse schimmel van het kledingstuk en van het huis,
56 en voor het knobbeltje en voor de schilfer en voor de lichte plek,
57 om te onderrichten in de dag van het onreine en in de dag van het reine. Dit is de wet van de melaatsheid."

Terug naar de indexpagina
Naar Leviticus 15
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.