Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Numeri
Hoofdstuk 13

   
(Ga met de muis op een naam of tekstverwijzing staan,dan ziet u de betekenis of tekst)


1 En JAHWEH spreekt tot MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen, zeggend:
2 "Zend mannen voor je uit en zij zullen het land van KanaänKanaän = purper (-land) verkennen, dat Ik aan het geven ben aan de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God. é é n man, elk voor het stamhuis van zijn vaders zullen jullie zenden, en allen een vorst onder hen." 21 Zie! JAHWEH, jouw Elohim, gaf het land voor jouw aangezicht. Ga op! Pacht het zoals JAHWEH, de Elohim van jouw vaders, tot jou sprak. Het moet niet zo zijn dat jij vreest en het moet niet zo zijn dat jij ontsteld bent. 22 En jullie naderen allen tot mij en jullie zeggen: Wij zullen mannen voor ons uit zenden en zij zullen voor ons het land verkennen en zij zullen aan ons woord terug brengen over de weg die wij in haar zullen opgaan en over de steden waarbij wij zullen komen. 23 En het woord is goed in mijn ogen, en ik neem van jullie twaalf mannen, é é n per stam. (SW)[Deut. 1:22,23]
3 En MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen zendt hen uit de wildernis van ParanParan = uithollingen (door de beken in de regentijd) op bevel van JAHWEH. Allen van hen waren mannen, hoofden van de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God.
4 En deze zijn hun namen. voor het stamhuiss van RubenRuben = ziet, een zoon: SammuaSammua = geboren op een verhoord gebed, zoon van ZakkurZakkur = bewaard (in Gods herinnering);
5 voor het stamhuiss van SimeonSimeon = gehoord (heeft JAH): SafatSafat = berecht of hij heeft geoordeeld, zoon van ChoriChori = holbewoner;
6 voor het stamhuiss van JudaJuda = lof: KalebKaleb = hond, zoon van JefunneJefunne = JAH wordt verzoend;
7 voor het stamhuis van IssacharIssachar = iets met "loon": JigalJigal = Hij verlost, koopt los, zoon van JozefJozef = Hij (God) vermeerdere (het aantal kinderen na dit kind);
8 voor het stamhuis van EfraïmEfraïm = dubbel vruchtbaar: HoseaHosea = hulp (van JAH), zoon van NunNun = vis;
9 voor het stamhuis van BenjaminBenjamin = zoon van de rechterzijde - gelukskind: PaltiPalti = bevrijd door JAH, zoon van RafuRafu = genezen, geheeld;
10 voor het stamhuis van ZebulonZebulon = woning: GaddiëlGaddiël = mijn geluk is God, zoon van SodiSodi = mijn vertrouwde (is JAH);
11 voor het stamhuis van JozefJozef = Hij (God) vermeerdere (het aantal kinderen na dit kind), voor het stamhuis van ManasseManasse = die doet vergeten: GaddiGaddi = mijn geluk, zoon van SusiSusi = mijn paard;
12 voor het stamhuis van DanDan = rechter: AmmiëlAmmiël = mijn oom (-beschermer) is God, zoon van GemalliGemalli = kameelbezitter;
13 voor het stamhuis van AserAser = geluk (wensen): SeturSetur = verborgen (= beschermd) door God, zoon van MichaëlMichaël = wie is als God;
14 voor het stamhuis van Naftali Naftali = ik heb gestreden: NachbiNachbi = verborgen, zoon van WofsiWofsi = rijk;
15 voor het stamhuis van Gad Gad = geluk: Geü elGeü el = verhevenheid van God, zoon van MakiMaki = afname.
16 Deze zijn de namen van de mannen die MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen zond om het land te verkennen. En MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen noemt HoseaHosea = hulp (van JAH), de zoon van NunNun = vis, JozuaJozua = JAH redt.
17 En MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen zendt hen om het land van KanaänKanaän = purper (-land) te verkennen en hij zegt tot hen: "Gaat zo op in de NegevNegev = zuiderland - de woestijn in het zuiden van Israël en gaat het gebergte op,
18 en ziet het land, wat het is, en het volk dat er in woont. Is het moedig of slap, zijn er weinig of veel?
19 En wat is het land waarin zij wonen? Is het goed of ondeugdelijk? En hoe zijn de steden waarin zij wonen? Zijn het legerplaatsen of zijn het vestingen?
20 En hoe is het land? Is het vruchtbaar of schraal? Is er een boom of is er geen? En bemoedigt jezelf en neemt van de vrucht van het land (in die dagen waren het de dagen van de eerste vruchten van de druiven)."
21 En zij gaan op en zij verkennen het land, vanaf de wildernis van SinSin = vlakland tot aan RechobRechob = (markt-)plaats, komend van HamatHamat = ommuurd.
22 En zij gaan op in de NegevNegev = zuiderland - de woestijn in het zuiden van Israël en men komt bij HebronHebron = (plaats van het) verbond. En daar waren AchimanAchiman = broeder van het geluk, SesaiSesai = blank (van huid) en TalmaiTalmai = broederlijk, die geboren waren uit de EnakEnak = hals*1). En HebronHebron = (plaats van het) verbond was zeven jaren voor SoanSoan = plaats van vertrek van EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch)het zwarte land (tov. de witte woestijn) gebouwd.
23 En zij komen tot aan de wadi van EskolEskol = druif en zij snijden daar een stekje af en é é n tros druiven; en zij dragen hem met z'n tweeën op een schuifbalk; ook van de granaatappelen en van de vijgen.
24 De plaats werd de wadi van EskolEskol = druif genoemd, vanwege de tros die de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God daar afsneden.
25 En aan het eind van veertig dagen keren zij terug van het verkennen van het land.
26 En zij gaan en zij komen bij MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen en bij AäronAäron = lichtbrenger en bij heel de vergadering van de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God in de wildernis van ParanParan = uithollingen (door de beken in de regentijd), in de buurt van KadesKades = heilig, gewijd. En zij brengen hen hun woord terug en aan heel de vergadering, en zij tonen hen de vrucht van het land.
27 En zij verhalen aan hem en zij zeggen: "Wij kwamen bij het land waarheen u ons zond en inderdaad, het gutste van melk en honing en dit is haar vrucht.
28 Alleen is het volk dat in het land woont sterk en de steden zijn verdedigd en uitermate groot. En ook zagen wij daar die geboren zijn uit de EnakEnak = hals.
29 AmalekAmalek = valleibewoner woont in het land van de NegevNegev = zuiderland - de woestijn in het zuiden van Israël, en de Hethiet en de Jebusiet en de Amoriet wonen in het gebergte, en de KanaänKanaän = purper (-land)iet woont bij de zee en aan de kant van de JordaanJordaan = de afdalende."
30 En KalebKaleb = hond brengt het volk tot stilte voor MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen en hij zegt: "Wij gaan op, ja gaan op, en wij pachten het, want we hebben zeker de overhand er over."
31 En de mannen die met hem opgingen zeiden: "Wij kunnen niet opgaan tegen het volk, want het is moediger dan wij."
32 En zij doen gemopper uitgaan onder de zonen van IsraëlIsraël = strijder van God over het land dat zij verkenden, zeggend: "Het land waar we doorheen trokken om het te verkennen is een land dat die er in verblijven verslindt, en heel het volk dat wij in haar midden zagen waren mannen van afmetingen.
33 En daar zagen wij de Nefilim (de zonen van EnakEnak = hals zijn van de Nefilim). En wij waren in onze ogen als de kleine treksprinkhanen, zo waren wij in hun ogen." De nefilim waren in die dagen in het land en bovendien daarna, toen de zonen van de Elohim kwamen tot de dochters van de mens; en zij baarden voor hen, die de machtigen zijn van de aion, stervelingen van naam (SW)[Gen. 6:4]

*1). De EnakEnak = hals. Waarschijnlijk een volk of stam van reuzen.

Terug naar de indexpagina
Naar Numeri 14
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.