Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Numeri
Hoofdstuk 32

   
(Ga met de muis op een naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de betekenis of tekst)


1 En het vele vee van de zonen van RubenRuben = ziet, een zoon en van de zonen van GadGad = geluk was uitermate aanzienlijk geworden. En zij zien het land van JazerJazer = JAH helpt en het land van GileadGilead = oneffen terrein - steenhoop der getuigenis, en aanschouw!, de plaats was een plaats van vee. 12 En dit land namen wij in die tijd over, vanaf AroŽr, dat aan de wadi van de Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead. En zijn steden gaf ik aan de Rubenieten en aan de Gadieten. 13 En de rest van Gilead en heel Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de helft van de stam van Manasse. Heel het district van Argob, tot heel Basan, wordt het land van de RefaÔm genoemd. (SW)[Deut. 3:12,13]
2 En de zonen van GadGad = geluk en de zonen van RubenRuben = ziet, een zoon komen en zij spreken tot MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen en tot EleazarEleazar = God is hulp, de priester, en tot de vorsten van de vergadering, zeggend:
3 "AtarotAtarot = kronen, en DibonDibon = ???, en JazerJazer = JAH helpt, en NimraNimra = helder water, en ChesbonChesbon = berekening, en ElaleElale = God is verheven, en ShebamShebam = geur, en NeboNebo = hoog zijn, en BeonBeon = heer van On,
4 het land dat JAHWEH neersloeg voor het aangezicht van de vergadering van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, het is land van vee en uw dienaren hebben vee."
5 En zij zeggen: "Indien wij genade vinden in uw ogen, laat dit land aan uw dienaren tot grondbezit gegeven worden. Het moet niet zo zijn dat u ons de JordaanJordaan = de afdalende doet oversteken."
6 En MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen zegt tot de zonen van Gad Gad = geluk en tot de zonen van RubenRuben = zie, een zoon: "Komen jullie broeders om oorlog te voeren, terwijl jullie hier wonen?
7 Waarom ontmoedigen jullie het hart van de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God tegen het oversteken naar het land dat JAHWEH aan hen gaf?
8 Zo deden jullie vaders toen ik hen van KadesKades = heilig, gewijd-BarneaBarnea = bron zond om het land te zien.
9 En zij gingen op tot aan de wadi van EskolEskol = druif en zij zagen het land. En zij ontmoedigden het hart van de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God om niet naar het land te komen dat JAHWEH aan hen geeft. 17 En Mozes zendt ze om het land van Kanašn te onderzoeken en hij zegt tot hen: Trekt zo op in de Negev en beklimt het gebergte,
18 en ziet het land, wat het is, en het volk dat er in woont. Is het moedig of zwak, zijn er veel of weinig?
19 En wat is het land waarin zij wonen? Is het goed of slecht? En hoe zijn de steden waarin zij wonen? Zijn het kampen of zijn het forten?
20 En hoe is het land? Is het vruchtbaar of mager? Is er een boom of niet? En bemoedigt jezelf en neemt van de vrucht van het land (in die dagen waren het de dagen van de eerstelingen van de druiven).
21 En zij trekken op en zij onderzoeken het land, van de wildernis van Zin tot zover als Rehob, komend van Hamath. (SW)
[Num. 13:17-21]

10 En de boosheid van JAHWEH in die dag was heet, en Hij zwoer, zeggend:
11 De mannen die opgingen uit EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch)het zwarte land (tov. de witte woestijn), vanaf een zoon van twintig jaren en daarboven, zullen niet de grond zien die Ik zwoer aan AbrahamAbraham = vader van een menigte of aanvoerder van een menigte, aan IsaškIsašk = lachen en aan JakobJakob = hielenlichter, want zij volgen niet volledig achter Mij,
12 behalve KalebKaleb = hond, zoon van JefunneJefunne = JAH wordt verzoend, de Keniziet, en JozuaJozua = JAH redt, zoon van NunNun = vis. Want zij volgen volledig achter JAHWEH.
13 En de boosheid van JAHWEH is heet tegen IsraŽlIsraŽl = strijder van God en Hij doet hen veertig jaren dolen in de wildernis, tot er een eind komt aan heel de generatie die het kwade deed in de ogen van JAHWEH. 16 Want sommigen die horen* verbitteren*, maar niet al die uit Egypte komen* door Mozes.
17 Van wie nu walgde* Hij veertig jaren? Was het niet van die zondigden*, van wie de carcassen vielen in de wildernis?
18 Tegen wie nu zweert* Hij niet in te gaan in Zijn įrust, dan tegen die koppig* zijn?
19 En wij zien dat zij niet in staat waren* in te gaan* door ongeloof. (SW)
[Hebr. 3:16-19]

14 En aanschouw!, jullie staan op in plaats van jullie vaders, een aanwas van zondige mannen, om opnieuw weggeveegd te worden vanwege de hitte van de boosheid van JAHWEH tegen IsraŽlIsraŽl = strijder van God?
15 Wanneer jullie terugkeren van achter Hem, dan gaat Hij verder voort met hen achterlaten in de wildernis en jullie richten heel dit volk te gronde."
16 En zij komen dicht bij hem en zij zeggen: "Ommuringen voor kleinvee zullen wij hier bouwen, voor ons vee, en steden voor onze peuters.
17 En wij, wij trekken uit, ons spoedend naar de aangezichten van de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, tot wanneer we hen naar hun plaats gebracht hebben en onze peuter woont in de steden van de vesting, weg van het aangezicht van de inwoners van het land.
18 Wij zullen niet naar onze huizen terugkeren totdat elk van de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God zijn lotbezit toebedeeld is geworden.
19 Want wij hebben geen lotbezit met hen vanaf de overkant van de JordaanJordaan = de afdalende en voorbij. Want ons lotbezit komt tot ons van de overkant van de JordaanJordaan = de afdalende in de richting van de zonsopgang."
20 En MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen zegt tot hen: "Indien jullie deze zaak doen, indien jullie uittrekken voor het aangezicht van JAHWEH, voor de oorlog,
21 en elk van jullie die uittrekt steekt de JordaanJordaan = de afdalende over voor het aangezicht van JAHWEH, totdat Hij Zijn vijanden van voor Zijn aangezicht heeft uitgedreven
22 en het land wordt bedwongen voor het aangezicht van JAHWEH en jullie daarna terugkeren, dan zijn jullie gevrijwaarden tegenover JAHWEH en tegenover IsraŽlIsraŽl = strijder van God. Dan wordt dit land voor jullie tot grondbezit voor het aangezicht van JAHWEH.
23 En indien jullie niet zo doen, aanschouw!, dan zondigen jullie tegen JAHWEH, en weet!, jullie zonde zal jullie vinden.
24 Bouwt voor julliezelf steden voor jullie peuters en ommuringen voor jullie kleinvee, en wat uit jullie mond uitgaat zullen jullie doen."
25 En de zonen van GadGad = geluk en de zonen van RubenRuben = ziet, een zoon spreken met MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen, zeggend: "Uw dienaren doen zoals mijn heer instructie geeft.
26 Onze peuters, onze vrouwen, ons vee en al onze beesten zullen daar komen, in de steden van GileadGilead = oneffen terrein - steenhoop der getuigenis.
27 En uw dienaren, allen die uittrekken met het leger, zullen oversteken voor het aangezicht van JAHWEH, voor de oorlog, zoals mijn heer spreekt."
28 En MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen geeft EleazarEleazar = God is hulp, de priester, en JozuaJozua = JAH redt, de zoon van NunNun = vis, en de hoofden van de vaders van de stamhuizen van de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God instructies voor hen.
29 En MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen zegt tot hen: "Indien de zonen van Gad Gad = geluk en de zonen van RubenRuben = ziet, een zoon met jullie de JordaanJordaan = de afdalende oversteken, een ieder die uittrekt voor de oorlog voor het aangezicht van JAHWEH, en het land wordt bedwongen voor jullie aangezichten, dan geven jullie aan hen het land van GileadGilead = oneffen terrein - steenhoop der getuigenis tot grondbezit.
30 En indien zij die uittrekken niet met jullie oversteken, dan wordt aan hen een grondbezit gegeven in jullie midden, in het land van KanašnKanašn = purper (-land)."
31 En de zonen van Gad Gad = geluk en de zonen van RubenRuben = ziet, een zoon antwoordden, zeggend: "Zoals JAHWEH sprak tot uw dienaren, zo doen wij.
32 Wij die uittrekken steken over voor het aangezicht van JAHWEH naar het land van KanašnKanašn = purper (-land), en met ons is het grondbezit van ons lotbezit vanaf de overzijde van de JordaanJordaan = de afdalende." 12 En tot de Rubenieten en tot de Gadieten en tot de helft van de stam van Manasse zei Jozua, zeggend: 13 "Gedenk het woord dat Mozes, dienaar van JAHWEH, aan jullie als instructie, zeggend: JAHWEH, jullie Elohim, is Hij die jullie rust geeft en Hij geeft aan jullie dit land. 14 Jullie vrouwen, jullie peuters en jullie veebezit zullen verblijven in het land dat Mozes aan jullie gaf aan de overkant van de Jordaan. En jullie, jullie zullen oversteken, in een vijfvoudige opdeling, voor het aangezicht van jullie broeders, allen machtige mannen van dapperheid, en jullie helpen hen, 15 totdat JAHWEH rust zal geven aan jullie broeders, zoals aan jullie, en zij pachten, ook zij, het land dat JAHWEH, jullie Elohim, aan hen geeft. En jullie keren terug naar het land van jullie pachtbezit en jullie pachten datgene wat Mozes, dienaar van JAHWEH, aan jullie gaf aan de overkant van de Jordaan, uit de opgang van de zon." (SW)[Joz. 1:12-15]
33 En MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen geeft aan hen, aan de zonen van Gad Gad = geluk en aan de zonen van RubenRuben = ziet, een zoon en aan de helft van de stam van ManasseManasse = die doet vergeten, zoon van JozefJozef = Hij (God) vermeerdere (het aantal kinderen na dit kind), het koninkrijk van SichonSichon = krijger, koning van de AmorAmor = spreker ieten, en het koninkrijk van OgOg = met lange hals, koning van de BasanBasan = effen terrein, zonder stenen, het land naar haar steden, binnen de grondgebieden van de steden van het land, rondom.
34 En de zonen van Gad Gad = geluk bouwen DibonDibon = ??? en AtarotAtarot = kronen en AroŽrAroŽr = ruÔne,
35 Atrot-SofanAtrot-Sofan = kronen van hun plundering en JazerJazer = JAH helpt, JogbehaJogbeha = verheven,
36 en Bet-NimraBet-Nimra = huis van helder water en Bet-HaranBet-Haran = huis van de hoogte, steden van de vesting, en ommuringen voor het kleinvee.
37 En de zonen van RubenRuben = ziet, een zoon bouwen ChesbonChesbon = berekening en ElaleElale = God is verheven en KirjataÔmKirjataÔm = twee steden,
38 en NeboNebo = hoog zijn en Bašl-MeonBašl=Meon = heer van de woning (veranderd van naam) en SibmaSibma = geur. En zij noemen deze namen als namen van de steden die zij bouwden.
39 En de zonen van MakirMakir = afnamer, zoon van ManasseManasse = die doet vergeten, gaan in de richting van GileadGilead = oneffen terrein - steenhoop der getuigenis en zij veroveren haar en zij verdrijven de AmorAmor = spreker ieten die er in zijn.
40 En MozesMozes = doen vergeten - getrokken - uit het water halen geeft GileadGilead = oneffen terrein - steenhoop der getuigenis aan MakirMakir = afnamer, zoon van ManasseManasse = die doet vergeten, en hij woont er in.
41 En JaÔrJaÔr = hij verlicht, zoon van ManasseManasse = die doet vergeten, gaat en hij verovert hun nederzettingen en hij noemt ze: de nederzettingen van JaÔrJaÔr = hij verlicht.
42 En NobachNobach = blaffen gaat en hij verovert KenatKenat = bezit en haar randgebieden en hij noemt haar NobachNobach = blaffen, naar zijn naam.

Terug naar de indexpagina
Naar Numeri 33
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.