Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Jesaja
Hoofdstuk 10

Jesaja trad op van ca. 750 tot ca. 700 v.C.

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
ga met de muis op een groen woord staan, dan ziet u de betekenis)


1 Wee de statuutmakers van statuten van wetteloosheid en schrijvers die ellende schrijven,
2 de armen afbuigend van rechtverschaffing en het oordeel roven van de nederigen van mijn volk, opdat weduwen hun buit zijn en zij wezen zullen plunderen.
3 En wat zullen jullie doen in de dag van het gericht, en bij de ruïnering die van verre zal komen? Naar wie zullen jullie vluchten om hulp? En waarheen zullen jullie je heerlijkheid toevertrouwen?
4 Tenzij men zich kromt onder een gevangene, anders zullen zij vallen onder de gedoden. In dit alles keert Zijn boosheid niet terug en nog is Zijn hand uitgestrekt.
5 Wee AssurAssur = vlakte, knuppel van Mijn boosheid, want in hun hand is de roede van mijn verontwaardiging! 13 En Hij zal Zijn hand uitstrekken tegen het noorden en Hij zal Assur vernietigen en Hij zal Ninevé plaatsen tot een troosteloosheid, een dorre plaats zoals de wildernis. 14 En bijeengedreven kudden zullen in haar midden neerliggen, elk dier van de natie. Ook de pelikaan, ook de egel zullen in haar bolkapitelen overnachten. Een stem zal zingen in het raam. Droogte is in het bekken, want de ceder zal ontbloot worden. 15 Dit is de vrolijke stad die in vertrouwen woont, die in haar hart zegt: Ik, en nog alleen ik. Hoe werd zij tot troosteloosheid, een neerligplaats voor het dier. Elk die aan haar passeert zal sissen, hij zal zijn hand heen en weer bewegen. (SW)[Zef. 2:13-15]
6 Tegen een verontreinigde natie zal Ik hem zenden en tegen het volk van Mijn razernij zal Ik hem instructie geven om buit buit te maken en om plundering te plunderen en om het een plaats van vertreden te maken, als de klei van de straten.
7 Maar zo is hij het niet van plan en zijn hart bedenkt het niet zo, want het is in zijn hart om uit te roeien en om naties af te snijden, niet weinig.
8 Want hij zegt: Zijn mijn oversten niet tezamen koningen?
9 Is KalnoKalno = ??? niet als KarkemisKarkemis = citadel van (de god) Kemos, of is HamatHamat = omheining van dichtbevolkte gramschap niet als ArpadArpad = ik zal uitgspreid zijn of ik zal ondersteund zijn, of is SamariaSamaria = waker niet als DamascusDamascus = vergoten bloed, of: bedrijvig?
10 Zoals mijn hand vond om te doen met de koninkrijken van de nutteloze afgod en hun beeldsnijwerken, van JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter en van SamariaSamaria = waker.
11 Zal ik niet, zoals ik deed met SamariaSamaria = waker en met haar nutteloze afgoden, zo ook doen met JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter en met haar afgodsbeelden?
12 En het zal zijn dat mijn Heer heel Zijn daad zal voltooien op de berg van SionSion = burcht en in JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter. Ik zal gericht brengen op de vrucht van de onbeschaamdheid van het hart van de koning van AssurAssur = vlakte en op het beroemen van de hoogheid van zijn ogen.
13 Want hij zei: Door de energie van mijn hand deed ik het en door mijn wijsheid, want ik heb begrip. En ik neem de grenzen van volken weg en hun toerustingen roofde ik en ik breng neerwaarts zij die als de stoere zitten.
14 Mijn hand vindt als een nest het vermogen van de volken. En zoals het verzamelen van eieren die verlaten zijn, zo verzamel ik heel de aarde. En er is er geen die zijn vleugel fladdert of zijn mond wijd opent en tjilpt.
15 Zal de bijl zichzelf beroemen tegen die er mee houwt? Of zal de strijdknots zichzelf groot maken boven die hem zwaait? Alsof een knuppel zichzelf zwaait en opheft! Als men een roede optilt, is die niet van hout?
16 Daarom zal de Heer JAHWEH van legermachten schraalheid zenden onder Zijn welgedanen en in plaats van Zijn heerlijkheid zal Hij een gloeien doen gloeien, als het gloeien van vuur.
17 En het Licht van IsraëlIsraël = strijder van God zal zijn tot vuur en zijn Heilige tot een vuurgloed. En het verteert en het verslind in é é n dag zijn stekel en doornheester,
18 en de heerlijkheid van zijn woud en van zijn akkerland, van ziel tot vlees zal Hij er een einde aan maken en het is als het smelten van een vaandeldrager.
19 En het overige van de boom van zijn woud zal geteld worden en de knaap zal ze opschrijven.
20 En het zal zijn in die dag. Niet gaat het overblijfsel van IsraëlIsraël = strijder van God nog voort of zal de ontkomene van het huis van JakobJakob = hielenlichter leunen op die hen slaat, maar men leunt op JAHWEH, de Heilige van IsraëlIsraël = strijder van God, in waarheid.
21 Een overblijfsel zal terugkeren, een overblijfsel van JakobJakob = hielenlichter, naar de machtige El.
22 Want indien jouw volk IsraëlIsraël = strijder van God zal zijn als het zand van de zee, een overblijfsel er van zal terugkeren. Een falen is besloten, maar rechtspleging zal overstromen.
23 Wat er is een beëindiging en die is besloten. Mijn Heer, JAHWEH van legermachten, is het Die het doet middenin heel het land. 27 En Jesaja roept uit over °Israël: al is het aantal van de zonen van Israël als het zand van de zee, het restant zal gered worden,
28 want de Heer zal snel en volledig Zijn Woord doen op de aarde (SW)
[Rom. 9:27,28]

24 Daarom, zo zegt mijn Heer JAHWEH van legermachten, moet het niet zo zijn dat jullie, Mijn volk, die wonen in SionSion = burcht, vrezen voor AssurAssur = vlakte. Met de knuppel slaat hij jou en zijn roede heft hij over jullie op, zoals Hij EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) deed.
25 Want nog een klein beetje en de verontwaardiging wordt beëindigd en Mijn boosheid is over hun ontaardheid.
26 En JAHWEH van legermachten zwiept over hem de zweep, zoals de slag van MidjanMidjan = twist bij de rots van OrebOreb = raaf, en Zijn roede is over de zee. En hij heft hem op zoals Hij EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) deed.
27 En het is in die dag dat zijn last van jouw rug wordt weggenomen en zijn juk van jouw hals, en het juk wordt kapot gebroken vanwege de vetheid.
28 Hij komt op AjjatAjjat = ruïnehoop. Hij passeert in MigronMigron = afgrond. Te MichmasMichmas = verborgen monstert hij zijn voorwerpen.
29 Zij passeren de bergpas. GebaGeba = heuvel zal ons tot nachtverblijf zijn. RamaRama = hoogte beeft! GibeaGibea = hoogte of heuvel van SaulSaul = afgebeden (van God) vlucht!
30 Maak een schril geluid met jouw stem, dochter van GallimGallim = steenhopen! Wees aandachtig, LaisLais = leeuw! Wees nederig, AnatotAnatot = verhoringen!
31 MadmenaMadmena = mesthoop gaat er vandoor. GebimGebim = waterbakken zoeken een sterke schuilplaats.
32 Terwijl het nog dag is staat hij in NobNob = hoogte! Hij wuift met zijn hand naar de berg van de dochter van SionSion = burcht, de heuvel van JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter.
33 Aanschouw, de Heer JAHWEH van legermachten kapt met verschrikking gebladerte af en die hoog van statuur zijn worden omgehakt en de hoogmoedigen zullen verlaagd worden.
34 En hij omgeeft de struikgewassen van het woud met ijzer en de LibanonLibanon = witheid zal vallen voor de Edele.

Terug naar de indexpagina
Naar Jesaja 11
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.