Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Nehemia
Hoofdstuk 9

Het boek Nehemia betreft de periode 445-430 v.Chr.

   
(Ga met de muis op een tekstverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam, dan ziet u de betekenis)


1 En in de vier en twintigste dag van deze maand verzamelden zich de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God in een vasten en in rouwgewaad, en er was grond op hen.
2 En het zaad van IsraŽlIsraŽl = strijder van God scheidde zich af van alle zonen van de uitheemse. En zij stonden en zij beleden hun zonden en de verdorvenheden van hun vaders.
3 En zij stonden op in hun standplaats en zij lazen in de boekrol van de wet van JAHWEH, hun Elohim, in een vierde deel van de dag en in een kwart deel beleden zij en zij wierpen zich neer voor JAHWEH, hun Elohim.
4 En JeshuaJeshua = JAH redt en BaniBani = (Jah) bouwt, KadmiŽlKadmiŽl = vooraan gaat God, ShebanjaShebanja = machtig is Jah, BunniBunni = gebouwd, SerebjaSerebja = nageslacht gaf Jah, BaniBani = (Jah) bouwt en KenaniKenani = mijn rustplaats stonden op de opgang van de Levieten en zij schreeuwden het uit met een grote stem naar JAHWEH, hun Elohim.
5 En de Levieten, JeshuaJeshua = JAH redt en KadmiŽlKadmiŽl = vooraan gaat God, BaniBani = (Jah) bouwt, ChasabnejaChasabneja = een vriend is Jah, SerebjaSerebja = nageslacht gaf Jah, HodiaHodia = glans van Jah, ShebanjaShebanja = machtig is Jah, PetachjaPetachja = (de moederschoot) opent Jah, zeiden: "Staat op, zegent JAHWEH, jullie Elohim, vanaf de aion tot aan de aion. Gezegend en verhoogd zij de naam van Uw heerlijkheid boven alle zegen en lofprijzing.
6 U, alleen U, JAHWEH, U maakte de hemelen, de hemelen van de hemelen en heel hun leger, het land en al wat er op is, de zeeŽn en al wat er in is, en U geeft hen allen leven en de legermacht van de hemelen werpt zich voor U neer. Want in zes dagen maakte JAHWEH de hemelen en het land, de zee en al wat er in is. En Hij stopte in de zevende dag. Daarom zegende JAHWEH de dag van de sabbat en heiligt Hij hem. (SW)[Exo. 20:11]
7 U bent JAHWEH, de Elohim, die AbramAbram = Vader is verheven uitkoos, en U deed hem uitgaan van Ur der ChaldeeŽnUr der ChaldeeŽn = stad van de kluitenbrekers en U plaatste zijn naam AbrahamAbraham = vader van vele volken. En JAHWEH zegt tot Abram: Ga uit jouw land en uit jouw familie en uit het huis van jouw vader, naar het land dat Ik jou zal tonen. (SW)[Gen. 12:1] En jouw naam zal niet langer Abram genoemd worden. Jouw naam wordt Abraham, want Ik maak jou tot vader van een menigte van naties. (SW) [Gen. 17:5]
8 En U vond zijn hart betrouwbaar voor Uw aangezicht en U sneed met hem het verbond om het land van de Kanašnieten, de Hethieten, de Amorieten en de Perizzieten en de Jebusieten en de Girgasieten te geven, om het te geven aan zijn zaad. En U volbracht Uw woorden, want U bent rechtvaardig. 18 In die dag sneed JAHWEH met Abram een verbond, zeggend: Aan jouw zaad geef Ik dit land, van de rivier van Egypte tot zo ver als de grote rivier, de rivier Eufraat,
19 de Keniet, en de Keniziet, en de Kadmoniet,
20 en de Hittiet, en de Periziet, en de RefaÔm,
21 en de Amoriet, en de Kanašniet, en de Girgasiet en de Jebusiet. (SW)
[Gen. 15:18-21]

9 En U zag de vernedering van onze vaders in EgypteEgypte = (egyptisch)huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (t.o.v. de witte woestijn) en U hoorde hun uitroep bij de Zee van het Zeegras. En JAHWEH zegt: Ik zie om te zien naar de vernedering van Mijn volk dat in Egypte is en Ik hoor hun schreeuw van voor het aangezicht van hen die hen afpersen. Want Ik ken hun pijn. (SW) [Exo 3:7]
10 En U gaf tekenen en wonderen tegen FaraoFarao = het grote huis en tegen al zijn dienaren en tegen heel het volk van zijn land, want U wist dat zij arrogant handelden tegen hen, en U maakte voor U een Naam, zoals die vandaag is.
11 En U spleet de zee voor hun aangezichten en zij staken over door het midden van de zee, in het droge; en hun achtervolgers gooide U in de schimmige diepten, zoals een steen in sterke wateren. 4 De strijdwagens van Farao en zijn leger stortte Hij in de zee, en de keuze van zijn derde vechters zonken in de Zee van het zeegras.
5 Afgronden, zij bedekten hem. Zij daalden als een steen af in de schaduwachtige diepten. (SW)
[Exo. 15:4,5]

12 En in een wolkkolom gidste U hen overdag en in een vuurkolom bij nacht, om hen licht te geven op de weg die zij in haar gaan. 21 En JAHWEH gaat voor hun aangezicht bij dag in een rookkolom, om hen te leiden op de weg, en s nachts in een vuurkolom om hen licht te geven, om dag en nacht te gaan.
22 En Hij verwijderde de rookkolom bij dag en de vuurkolom bij nacht niet voor het aangezicht van het volk. (SW)
[Exo. 13:21,22]

13 En op de berg van SinaÔSinaÔ = doornachtig daalde U neer, om met hen vanaf de hemelen te spreken. En U gaf aan hen rechte verordeningen en wetten van waarheid, statuten en goede instructies.
14 En U maakte aan hen de sabbat van Uw heiligheid bekend, en U gaf hen instructie door de hand van MozesMozes = doen vergeten, getrokken, uit het water halen, Uw dienaar.
15 En U gaf aan hen brood vanaf de hemelen voor hun honger en en U deed voor hen water uitgaan uit de steile rots voor hun dorst. En U zei tot hen binnen te komen om het land te pachten, waarover U Uw hand ophief om het hen te geven. Zie! JAHWEH, jouw Elohim, gaf het land voor jouw aangezicht. Klim op! Bezit het zoals JAHWEH, de Elohim van jouw vaders, tot jou sprak, en jullie moeten niet ontmoedigd zijn. (SW) [Deut. 1:21]
16 En zij en onze vaders handelden arrogant en zij verhardden hun nek en zij luisterden niet naar Uw instructies.
17 En zij weigerden te luisteren en zij gedachten niet de wonderbaarlijke daden die U met hen deed. En zij verhardden hun nek en zij stelden, in hun rebellie, een hoofd aan om terug te keren naar hun dienstbaarheid. En U, Eloah van vergevingen, bent genadig en mededogend, langzaam van boosheid, met veel vriendelijkheid, en U verliet hen niet, En JAHWEH gaat voorbij aan zijn gezicht en Hij roept: JAHWEH, JAHWEH, El Die medelijdend is en genadevol, langzaam in boosheden en overvloedig in vriendelijkheid en waarheid (SW)[Exo. 34:6]
18 ook al maakten zij voor zich een gegoten beeld van een kalf en zeiden zij: Dit is jullie Elohim, die jullie uit EgypteEgypte = (egyptisch)huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (t.o.v. de witte woestijn) deed opgaan. En zij deden grote beledigingen.
19 En U, in Uw vele mededogen, verliet hen niet in de wildernis. De wolkkolom trok zich niet van over hen terug, overdag om hen te gidsen op de weg en de vuurkolom bij nacht om hen licht te geven op de weg die zij in haar gaan.
20 En U gaf Uw goede geest om hen te doen overpeinzen; en Uw manna hield U niet weg van hun mond en U gaf hen water voor hun dorst.
21 En veertig jaren onderhield U hen in de wildernis; zij hadden geen gebrek, hun gewaden versleten zij niet en hun voeten waren niet gezwollen.
22 En U gaf aan hen koninkrijken en volken en U deelde op tot de zijkant. En zij pachtten het land van SichonSichon = krijger en het land van de koning ChesbonChesbon = berekening en het land van OgOg = met lange hals, koning van de BasanBasan = vruchtbaar.
23 En hun zonen maakte U talrijk als de sterren van de hemelen, en U bracht hen naar het land waarvan U tot hun vaders zei te komen om te pachten. En Hij brengt hem naar buiten en Hij zegt: Kijk alstublieft naar de hemel en tel de sterren, als je in staat bent ze te tellen!" En Hij zegt tot hem: "Zo zal jouw zaad worden! (SW)[Gen. 15:5]
24 En de zonen kwamen binnen en zij pachtten het land. En U maakte voor hun aangezichten de inwoners van het land, de Kanašnieten, onderdanig, en U gaf hen in hun hand, met hun koningen en de volken van het land, om met hen te doen naar hun welgevallen. En Jozua neemt het hele land, zoals JAHWEH sprak tot Mozes, en Jozua geeft haar als lotdeel aan IsraŽl, naar hun toedeling, naar hun stammen. En het land rustte van de oorlog. (SW)[Joz. 11:23]
25 En zij veroverden verdedigde steden en vruchtbare grond en zij namen huizen over, vol met elk goed ding, uitgehouwen waterreservoirs, wijngaarden en olijfgaarden en voedselbomen in veelheid. En zij aten en zij werden verzadigd en zij werden gezet en zij leefden weelderig door Uw grote goedheid. 10 En het zal zijn dat JAHWEH, jouw Elohim, jou brengt naar het land dat Hij zwoer aan jouw vaders, aan Abraham, aan Isašk en aan Jakob, om aan jouw grote en goede steden te geven die jij niet bouwde,
11 en huizen, vol van alle goed, die jij niet vulde, en uitgehouwen waterreservoirs die jij niet houwde, wijngaarden en olijfbomen die jij niet plantte. En jij eet en jij bent bevredigd. (SW)
[Deut. 6:10,11]

26 En zij rebelleerden en zij kwamen in opstand tegen U en zij gooiden Uw wet achter hun lichaam, en Uw profeten, die tegen hen getuigden om hen naar U te doen terugkeren, doodden zij. En zij deden grote beledigingen. En hij zegt: Ik was zeer vurig voor JAHWEH, Elohim van menigten, want de zonen van IsraŽl lieten Uw verbond in de steek. Zij vernielden Uw altaren en zij doodden Uw profeten door het zwaard. En ik ben over, alleen ik. En zij zoeken mijn ziel, om die te nemen (SW)[1Kon. 19:10] En jullie zullen Mijn verordeningen en Mijn oordelen waarnemen, want de mens die ze doet zal er in leven. Ik ben JAHWEH! (SW)[Lev. 18:5]
27 En U gaf hen in de hand van hun benauwers en zij brachten benauwdheid over hen. En in de tijd van hun benauwdheid schreeuwden zij tot U. En U, U hoorde vanaf de hemelen en naar Uw vele mededogen gaf U hen redders en zij redden hen uit de hand van hun tegenstanders.
28 Maar zodra zij rust hadden, keerden zij terug om kwaad te doen voor Uw aangezicht en U verliet hen in de hand van hun vijanden en zij heersten over hen. En zij keerden terug en zij schreeuwden het uit tot U. En U, U hoorde vanaf de hemelen en U redde hen uit naar uw mededogen, vele keren.
29 En U getuigde tegen hen om hen te doen terugkeren naar Uw wet, maar zij handelden arrogant en zij luisterden niet naar Uw instructies en zij zondigden tegen Uw verordeningen, die een mens doet en er in leeft. En koppig zijnde gaven zij hun schouder en zij verhardden hun nek en zij luisterden niet.
30 En U was vele jaren toegeeflijk met hen en U getuigde tegen hen door Uw geest door de hand van Uw profeten, maar zij gaven geen gehoor. En U gaf hen in de hand van de volken van de landen.
31 Maar in Uw vele mededogen deed U hen niet eindigen en verliet U hen niet, want U bent El, genadig en mededogend.
32 En nu, onze Elohim, de grote, de machtige en de vreeswekkende El, Die het verbond en de getrouwheid in acht neemt, het moet niet zo zijn dat al onze moeite die onze koningen, onze leiders en onze priesters en onze profeten en onze vaders en heel Uw volk vond, vanaf de dagen van de koningen van AssurAssur = een stap tot aan deze dag, maar weinig zijn voor Uw aangezicht.
33 En U was rechtvaardig in alles wat ons overkwam, want U deed betrouwbaarheid en wij handelden slecht.
34 En onze koningen, onze oversten, onze priesters en onze vaders deden Uw wet niet en zij gaven geen acht op Uw instructies en op Uw getuigenissen die U tegen hen getuigde.
35 En zij dienden U niet in hun koninkrijk, dat U in Uw vele goedheid aan hen gaf, in het ruime en vruchtbare land, dat U voor hun aangezichten gaf. En zij keerden niet terug van hun kwade praktijken.
36 Aanschouw!, wij zijn vandaag dienaren, en het land dat U gaf aan onze vaders om van haar vrucht en van haar goede te eten, aanschouw!, wij zijn daarin dienaren.
37 En er was veel opbrengst voor de koningen die U over ons gaf vanwege onze zonden en zij heersten naar hun welgevallen over onze lichamen en over onze dieren. En wij waren in grote benauwdheid.
38 En in dit alles sneden wij een gelegaliseerd en opgeschreven verbond. En op het verzegelde staan de namen van onze oversten, van onze Levieten, van onze priesters."

Terug naar de indexpagina
Naar Nehemia 10
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.