Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
Exodus
Hoofdstuk 1

   
(Ga met de muis op een naam of tekstverwijzing staan, dan ziet u de betekenis of tekst)


DE STRUCTUUR VAN HET BOEK EXODUS
1:1-2:10.   De slavernij van IsraŽl begonnen.
2:11-14:31.       De vrijheid bewerkt.
15:1-21.   De slavernij van IsraŽl beŽindigd.
15:22-40:38.        De vrijheid gebruikt.


1 En deze zijn de namen van de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God die naar EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptosch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) kwamen met JakobJakob = hielenlichter. Elk en zijn huis kwamen. En deze zijn de namen van de zonen van IsraŽl die naar Egypte komen: (SW)[Gen. 46:8-27]
2 RubenRuben = ziet, een zoon, SimeonSimeon = gehoord (heeft Jah), LeviLevi = aanhanger, aanhankelijk en JudaJuda = lof,
3 IssacharIssachar = iets met 'loon', ZebulonZebulon = woning en BenjaminBenjamin = zoon van de rechterzijde. gelukskind,
4 DanDan = rechter en NaftaliNaftali = ik heb gestreden, GadGad = geluk en AserAser = geluk (wensen).
5 En alle ziel die uitgaat van de dij van JakobJakob = hielenlichter zijn zeventig zielen. En JozefJozef = JAH moge mij (er nog een andere zoon aan) toevoegen was in EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptosch) het zwarte land (tov. de witte woestijn).
6 En JozefJozef = JAH moge mij (er nog een andere zoon aan) toevoegen sterft en al zijn broers en heel die generatie.
7 En de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God zijn vruchtbaar en zij wemelen en zij vermeerderen. En zij zijn uitermate, uitermate robuust En het land wordt met hen gevuld. Als nu de tijd van de belofte naderde die įGod zweert* aan įAbraham, groeit* het volk en werd vermenigvuldigd* in Egypte, (SW)[Hand. 7:17]
8 En een nieuwe koning, die van JozefJozef = JAH moge mij (er nog een andere zoon aan) toevoegen niet kende, staat op over EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptosch) het zwarte land (tov. de witte woestijn). totdat een andere koning opstond* over Egypte, die niet įJozef had waargenomen (SW)[Hand. 7:18]
9 En hij zegt tot zijn volk: "Aanschouw! Het volk van de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God zijn talrijk en ze zijn robuuster dan wij.
10 Welaan, wij tonen onszelf wijs in verband met hen, opdat het niet vermeerdert en gebeurt het dat zij de oorlog uitroepen en zij zelfs toegevoegd worden aan die ons haten en men tegen ons vecht en men opgaat vanaf het land." Deze, sluw handelend* met ons įras, behandelt* onze įvaders slecht, ervoor zorgend dat hun kleine kinderen te vondeling werden gelegd, zodat zij geen leven voortbrengen. (SW)[Hand. 7:19]
11 En zij plaatsten over hen oversten van dwangarbeidmv, teneinde hen te vernederen met hun lasten, en men bouwt voorraadsteden voor FaraoFarao = het grote huis: PitomPitom = huis van (de zonnegod) Aton en RašmsesRašmses = zonnekind. En Hij zegt tot Abram: Weet zeker dat jouw zaad bijwoner zal worden in een land dat niet van hen is. En zij dienen hen en zij vernederen hen, vierhonderd jaren (SW)[Gen. 15:13]
12 En hoe meer ze hen vernederen, hoe meer men vermeerdert en zij doorbreken. En zij raken geÔrriteerd van het gezicht van de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God.
13 En de Egyptenaren doen de zonen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God met hardheid dienen.
14 En zij verbitteren hun levenmv door harde dienst in metselspecie en in bakstenen en door elke dienst in het veld; al hun dienst waarmee zij hen dienden was met hardheid.
15 En de koning van EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptosch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) zegt tot de Hebreeuwse vroedvrouwen (van wie de naam van de ene is SifraSifra = schoonheid en de naam van de tweede is PuaPua = meekrap),
16 en hij zegt: "Als jullie bij het vroedvrouw zijn voor de Hebreeuwse vrouwen op de steunstenenook wel "de stenen" genoemd. Het gaat hier om een stoel-vormig voorwerp, in latere tijden samengesteld uit meerdere stenen, waarop de bevalling plaatsvond. Later begon het volk het "de steen" te noemen. zien dat het een zoon is, brengen jullie hem ter dood, maar indien het een dochter is zal zij leven."
17 En de vroedvrouwen vrezen de Elohim, en zij deden niet zoals de koning van EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptosch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) tot hen sprak. En zij behouden de jongens in het leven.
18 En de koning van EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptosch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) roept tot de vroedvrouwen en hij zegt tot hen: "Om welke reden doen jullie deze zaak en behouden jullie de jongens in het leven?"
19 En de vroedvrouwen zeggen tot FaraoFarao = het grote huis: "Omdat de Hebreeuwse vrouwen niet zijn als de Egyptische vrouwen, want ze zijn levenskrachtig. Voordat de vroedvrouw bij hen komt baren zij."
20 En Elohim doet goed aan de vroedvrouwen en Hij vermeerdert het volk en zij zijn uitermate robuust.
21 En het gebeurt dat de vroedvrouwen de Elohim vrezen. En Hij geeft voor hen huizen.
22 En FaraoFarao = het grote huis geeft heel zijn volk instructie, zeggend: "Elke zoon die geboren wordt zullen jullie in de waterweg gooien en elke dochter zullen jullie in het leven behouden." Deze, sluw handelend* met ons įras, behandelt* onze įvaders slecht, ervoor zorgend dat hun kleine kinderen te vondeling werden gelegd, zodat zij geen leven voortbrengen. (SW)[Hand. 7:19]

Terug naar de indexpagina
Naar Exodus 2
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.