Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
EzechiŽl
Het boek EzechiŽl is waarschijnlijk geschreven
tussen 593 en 565 voor Christus,
tijdens de Babylonische ballingschap van de Joden.

Hoofdstuk 17

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend:
2 Zoon van de mens, leg een raadsel voor en citeer een spreekwoord voor het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God!
3 En zeg: Zo zegt mijn Heer JAHWEH: De grote gier, met grote vleugels, lang van de vleugelpunt, vol met veren, die voor hem tot veelkleurigheid zijn, kwam naar de LibanonLibanon = wit, bergen met eeuwige sneeuw en nam het wollige loof van de ceder.
4 Hij plukte de top van zijn jonge scheuten af en hij bracht ze naar het land van KanašnKanašn = purper (-land). Hij plaatste ze in een stad van handeldrijvers.
5 En hij nam van het zaad van het land en hij deed het in een zaadbed. Hij nam het bij vele wateren en plaatste het als een wilg.
6 En het sproot uit en werd tot een verlengende wijnstok, laag van statuur, zijn takken naar hem kerend en zijn wortels waren onder hem. En het werd een wijnstok en maakte tak-uitlopers en hij bracht gebladerte voort.
7 En er was een andere grote gier, groot van vleugels en met veel veren, en aanschouw, deze wijnstok boog zijn wortels naar hem en zijn takken zond hij naar hem, om haar beplanting te irrigeren op haar plantbedden.
8 Naar een goed veld met veel water werd hij overgeplant, om grote takken te maken en om vrucht te dragen, om een wijnstok van adeldom te worden.
9 Zeg, zo zegt mijn Heer JAHWEH: Zal hij voorspoedig zijn? Zal men zijn wortels niet losscheuren en zijn vrucht beschadigd worden en opdrogen? Al het onbeschermde van zijn uitspruiting zal opdrogen, maar niet met een grote arm en met veel volk, hem bij zijn wortels opnemend.
10 En aanschouw, overgeplant, zal hij dan voorspoedig zijn? Als de oostenwind hem aanraakt, zal hij dan niet opdrogen, ja opdrogen? Op de plantenbedden van zijn ontspruiting zal hij opdrogen.
11 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend:
12 Zeg, alstublieft, tot het huis van de rebellie: Weten jullie niet wat deze dingen zijn? Zeg: Aanschouw, de koning van BabelBabel = wirwar kwam naar JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter en hij nam haar koning en haar oversten en hij bracht hen bij hem, naar BabelBabel = wirwar.
13 En hij nam van het zaad van het koningschap en hij sneed met hem een verbond en hij bracht hem onder een eed van verwensing. En hij nam de onderwerpers van het land,
14 opdat het koninkrijk laag zou worden, zodat het zichzelf niet zou verheffen, zijn verbond in acht nemend het zou staan.
15 Maar hij kwam in opstand tegen hem, door zijn boodschappers naar EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch) het zwarte land (tov. de witte woestijn) te zenden, hem paarden en veel volk gevend. Zal hij voorspoedig zijn? Zal hij die deze dingen doet ontsnappen? Zal hij het verbond annuleren en ontsnappen? 10 En bij het keren van het jaar zond koning Nebukadnezzar en hij brengt hem naar Babylon, met het begeerde gerei van het huis van JAHWEH. En hij maakt Zedekiah, zijn broer, koning over Juda en Jeruzalem.
11 Zedekiah was een zoon van een en twintig jaren toen hij koning werd en hij regeerde elf jaren in Jeruzalem.
12 En hij doet het kwade in de ogen van JAHWEH, zijn Elohim. En hij was niet onderschikt voor het aangezicht van Jeremiah, de profeet, die sprak als mond van JAHWEH.
13 En bovendien rebelleerde hij tegen koning Nebukadnezzar, die hem deed zweren bij Elohim. En hij verstijft zijn nek en hij maakt zijn hart hard, in plaats van terug te keren naar JAHWEH, Elohim van IsraŽl. (SW)
[2Kron. 36:10-13]

16 Zo waar Ik leef, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk, zal hij niet sterven, midden in BabelBabel = wirwar, in de plaats van de koning die hem tot koning maakte, wiens eed van verwensing hij veracht en wiens verbond hij annuleert?
17 En noch door een grote strijdmacht, noch door een immense samenkomst zal FaraoFarao = het grote huis hem iets doen in de strijd, wanneer een aarden wal uitgegoten wordt en hij een belegeringswal bouwt om vele zielen af te snijden.
18 Hij verachtte de eed van verwensing door het verbond te annuleren. En aanschouw, hij gaf zijn hand! En hij deed al deze dingen, maar hij zal niet ontsnappen.
19 Daarom, zo zegt mijn Heer JAHWEH, zo waar Ik leef, de eed van Mijn verwensing, die hij verachtte, en Mijn verbond, dat hij annuleerde, Ik zal het op zijn hoofd geven!
20 En Ik zal over hem Mijn net spreiden en hij zal vastgegrepen worden in Mijn fuik. En Ik zal hem brengen naar BabelBabel = wirwar en Ik zal met hem daar in het oordeel komen vanwege zijn krenking waarmee hij tegen Mij krenkte.
21 En al zijn vluchtelingen onder al zijn strijders, zij zullen vallen door het zwaard. En die overgebleven zijn zullen naar elke windstreek verspreid worden. En jullie weten dat Ik, JAHWEH, sprak.
22 Zo zegt mijn Heer JAHWEH: Ik, Ik neem van het wollige loof van de hoge ceder en Ik zal het geven. Van de top van zijn jonge, tere scheuten zal Ik plukken en Ik plant ze over op de verheven, uitnemende berg.
23 Op de berg van de hoogte van IsraŽlIsraŽl = strijder van God zal Ik hem over planten en hij zal grote takken dragen en hij maakt vrucht en hij wordt tot een edele ceder. En onder hem verblijft elke vogel, elke vleugel. In de schaduw van zijn takken zullen zij verblijven.
24 En alle bomen van het veld zullen weten dat Ik JAHWEH ben. Ik breng de verheven boom omlaag, Ik verhef de lage boom. Ik doe de sappige boom opdrogen en Ik doe de droge boom uitbotten. Ik, JAHWEH, Ik sprak en Ik doe het.

Terug naar de indexpagina
Naar EzechiŽl 18
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.