Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
EzechiŽl
Het boek EzechiŽl is waarschijnlijk geschreven
tussen 593 en 565 voor Christus,
tijdens de Babylonische ballingschap van de Joden.

Hoofdstuk 24

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij in het negende jaar, in de tiende maand, in de tiende van de maand, zeggend:
2 Zoon van de mens, schrijf voor jezelf de naam van de dag, deze zelfde dag. Op deze zelfde dag overrompelde de koning van BabelBabel = wirwar naar JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter. En het gebeurt in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, in de tiende van de maand, dat Nebukadnessar, koning van Babylon, kwam, hij en heel zijn leger, tegen Jeruzalem. En hij slaat het kamp op tegen haar en zij bouwen een belegwerk tegen haar, rondom. (SW) [2Kon. 25:1]
3 En citeer een spreekwoord voor het huis van de rebellie en zeg tot hen: Zo zegt mijn Heer JAHWEH, zet de pot op de haardstenen, zet hem op de haardstenen en giet er ook water in.
4 Verzamel haar stukken er in, elk goed stuk, dij en schouder. Vul haar met de eerste keus botten.
5 Neem de keuze van het kleinvee en doe er ook de botten omheen. Kook haar kookstukken, kook ook haar botten in haar midden.
6 Daarom, zo zegt mijn Heer JAHWEH, wee de stad van het bloedvergieten! Ze is een pot die haar roest in zich heeft en haar roest gaat niet uit haar! Doe het stuk na stuk uitgaan. Het lot moet niet op haar vallen.
7 Want haar bloed is in haar midden. Op de verweerde steile rots plaatste zij het. Ze goot het niet uit over de aarde om het met losse aarde te bedekken.
8 Om woede te doen opgaan, om wraak te wreken, gaf Ik haar bloed op de verweerde steile rots, zodat het niet bedekt wordt.
9 Daarom, zo zegt mijn Heer JAHWEH, wee de stad van het bloedvergieten! Ook zal Ik de stapel groot maken.
10 Vermeerder het hout! Doe het vuur opflakkeren, maak het vlees af en meng de zalf. En de botten zullen geblakerd worden.
11 Laat haar leeg staan op haar gloeiende houtskool, opdat ze verhit zullen worden en haar koper heet wordt en haar onreinheid in haar midden wordt versmolten. Haar roest zal ten einde komen.
12 Ze is vermoeid van smarten, maar de veelheid van haar roest gaat niet uit haar. In het vuur met haar roest!
13 In jouw onreinheid is zedeloosheid en omdat Ik jou reinig, maar jij niet rein wil worden van jouw onreinheid, zal jij niet rein worden, totdat Ik rust geef aan Mijn woede tegen jou.
14 Ik, JAHWEH, Ik sprak het! Het komt en Ik doe het. Ik zal het niet laten varen en Ik zal geen medelijden hebben en Ik zal geen spijt hebben. Naar jouw wegen en naar jouw praktijken oordelen zij jou, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.
15 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend:
16 Zoon van de mens, aanschouw, Ik neem van jou met een slag het begeerde van jouw ogen. En jij zal niet rouwklagen en jij zal niet weeklagen en jouw traan zal niet komen.
17 En wat kreunen betreft, wees stil! Voor die dood zijn zal jij geen rouw doen. Bind jouw prachtige tulband op en plaats jouw sandalen aan jouw voeten en jij zal jouw bovenlip niet omhullen en het brood van mannen zal jij niet eten.
18 En ik sprak in de ochtend tot het volk. En in de avond stierf mijn vrouw. En ik deed in de ochtend zoals mij was geÔnstrueerd.
19 En het volk zei tot mij: Wil jij ons niet vertellen wat deze dingen, die jij doet, voor ons betekenen?
20 En ik zei tot hen: Het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend:
21 Spreek tot het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, zo zegt mijn Heer JAHWEH! Aanschouw, Ik zal Mijn heiligdom ontwijden, de trots van jullie sterkte, het begeerde van jullie ogen en het vereerde van jullie ziel. Maar jullie zonen en jullie dochters, die jullie achterlieten, zullen door het zwaard vallen.
22 En jullie zullen doen zoals Ik deed. Op jullie bovenlip zal geen omhulling zijn en het brood van mannen zullen jullie niet eten.
23 En doe jullie prachtige tulbanden op jullie hoofden en jullie sandalen aan jullie voeten. Jullie zullen niet rouwklagen en jullie zullen niet huilen, maar jullie zullen verrot worden door jullie verdorvenheden en jullie zullen grommen, elk tegen zijn broeder.
24 En EzechiŽlEzechiŽl = sterk is God zal voor jullie tot voorteken zijn. Naar alles wat hij deed zullen jullie doen, wanneer het komt. En jullie zullen weten dat Ik Heer ben, JAHWEH.
25 En jij, zoon van de mens, is het niet in die dag dat Ik van hen hun sterkte wegneem, de opgetogenheid van hun schoonheid, het begeerde van hun ogen en de verheffing van hun ziel, hun zonen en hun dochters?
26 In die dag zal de ontkomene tot jou komen met berichtgeving voor jouw oren.
27 In die dag zal jouw mond geopend worden naar de ontkomene en jij zal spreken en jij zal niet meer stom zijn. En jij zal voor hen tot voorteken zijn. En zij zullen weten dat Ik JAHWEH ben.

Terug naar de indexpagina
Naar EzechiŽl 25
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.