Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
EzechiŽl
Het boek EzechiŽl is waarschijnlijk geschreven
tussen 593 en 565 voor Christus,
tijdens de Babylonische ballingschap van de Joden.

Hoofdstuk 31

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 En het was in het elfde jaar, in de derde maand, in de eerste dag van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggend:
2 Zoon van de mens, zeg tot FaraoFarao = het grote huis, koning van EgypteEgypte = (egyptisch) huis van (de god) Ptah - (koptisch)het zwarte land (tov. de witte woestijn) en tot zijn schare: Aan wie ben jij gelijk in jouw grootheid?
3 Aanschouw, AssurAssur = vlakte was als een ceder in de LibanonLibanon = wit, bergen met eeuwige sneeuw, heel mooi van grote tak en schaduw gevend bosland en verheven van statuur; en tussen de verstrengelde takken was zijn wollige loof.
4 De wateren maakten hem groot, de waterdiepte maakte hem hoog, haar stromen gingen rondom haar beplanting en haar greppels zond zij naar alle bomen van het veld.
5 Daarom is zijn statuur meer verheven dan alle bomen van het veld. En zijn vertakkingen vermeerderen en zijn gebladerte wordt lang door de vele wateren bij zijn uitzenden.
6 In zijn gevorkte takken nestelde al wat vliegt van de hemelen en onder zijn gebladerte baarde elk dier van het veld. En in zijn schaduw woonden alle grootse naties.
7 En hij was heel mooi in zijn grootheid, in de lengte van zijn takken, want zijn wortel reikte naar vele wateren.
8 De ceders in de hof van Elohim evenaarden hem niet, cypressen waren niet gelijk aan zijn gevorkte takken. De platanen waren niet als hun gebladerte. Geen boom in de tuin van Elohim leek op hem in zijn schoonheid. En JAHWEH Elohim doet uit de grond iedere boom uitspruiten, aantrekkelijk voor het gezicht en goed als voedsel, en de boom van de levens in het midden van de tuin, en de boom van de kennis van goed en kwaad. (SW)[Gen. 2:9]
9 Ik maakte hem heel mooi met de veelheid van zijn takken, en alle bomen van EdenEden = lusthof, die in de tuin van de Elohim waren, waren jaloers op hem.
10 Daarom, zo zegt mijn Heer JAHWEH, omdat jij verheven bent in statuur en hij zijn wollige loof geeft tussen zijn verstrengelde takken en zijn hart is opgeheven in zijn verhevenheid,
11 zal ik hem geven in de hand van de onderwerper van naties, om te doen wat hij met hem zal doen. Ik zal hem uitdrijven naar zijn slechtheid.
12 En vreemden, de verschrikkers van de naties, zullen hem omhakken en zij zullen hem in de steek laten. Op de bergen en in alle ravijnen zullen zijn takken vallen. En zijn gebladerte zal gebroken worden in alle beken van de aarde. En alle volken van de aarde zullen afdalen uit zijn schaduw en zij zullen hem in de steek laten.
13 Op zijn gevallen stam zal al van de hemelen wat vliegt verblijven en op zijn gebladerte zal elk dier van het veld zijn,
14 opdat niet enige van de bomen aan de wateren verheven zal zijn in statuur en zij niet hun wollige loof zullen geven tussen verstrengelde takken. En geen van hun onderwerpers die water drinken zullen staan in hun verhevenheid, want zij allen zullen gegeven worden aan de dood, aan de onderste delen van de aarde, te midden van de zonen van de mens, naar die neerdalen in het onderaards gewelf.
15 Zo zegt mijn Heer JAHWEH, in de dag van zijn neerdalen naar het dodenrijk, zal Ik doen rouwen. Vanwege hem zal Ik de waterdiepte bedekken en zal Ik haar stromen weerhouden. En vele wateren zullen tegengehouden worden. En Ik zal vanwege hem LibanonLibanon = wit, bergen met eeuwige sneeuw somber maken en vanwege hem bezwijmen alle bomen van het veld.
16 Bij het geluid van zijn val zal Ik de naties doen schudden, wanneer Ik hem naar het dodenrijk doe neerdalen met die neerdalen in het onderaards gewelf. In de onderste delen van de aarde zullen alle bomen van EdenEden = lusthof, de eerste keus en het goede van LibanonLibanon = wit, bergen met eeuwige sneeuw, allen die water drinken, getroost worden.
17 Ook zij die met hem zijn dalen neer naar het dodenrijk, naar die gesneuveld zijn door het zwaard en door zijn arm. Zij wonen in zijn schaduw, te midden van de naties.
18 Aan wie ben jij zo gelijkend in heerlijkheid en in grootheid onder de bomen van EdenEden = lusthof? Maar jij zal neergehaald worden met de bomen van EdenEden = lusthof, naar de onderste delen van de aarde. Te midden van de onbesnedenen zal jij liggen, met de gesneuvelden door het zwaard. Het is FaraoFarao = het grote huis en heel zijn schare, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.

Terug naar de indexpagina
Naar EzechiŽl 32
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.