Dit is een eigen SchriftWoord vertaling van
EzechiŽl
Het boek EzechiŽl is waarschijnlijk geschreven
tussen 593 en 565 voor Christus,
tijdens de Babylonische ballingschap van de Joden.

Hoofdstuk 36

   
(Ga met de muis op een versverwijzing staan, dan ziet u de tekst,
of op een groene naam dan ziet u de betekenis)


1 En jij, zoon van de mens, profeteer tot de bergen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God en zeg: Bergen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, hoort het woord van JAHWEH.
2 Zo zegt mijn Heer JAHWEH: Omdat jullie vijand zegt: Ha! De aionische hoge plaatsen zijn voor ons tot pachtbezit geworden,
3 daarom, profeteer en zeg: Zo zegt mijn Heer JAHWEH: Omdat, ja omdat troosteloos zijn en hijgen rondom met jullie zijn, om jullie tot pachtbezit te zijn voor het overblijfsel van de naties en jullie opgenomen worden op de lip van laster en de roddel van het volk,
4 daarom, bergen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, hoort het woord van mijn Heer JAHWEH. Zo zegt mijn Heer JAHWEH tot de bergen en tot de heuvels, tot de beken en tot de ravijnen en tot de woestenijen die troosteloos zijn en tot de steden die verlaten zijn, die tot plundering werden en tot hoongelach voor het overblijfsel van de naties die rondom zijn,
5 heb Ik daarom, zo zegt mijn Heer JAHWEH, niet in het vuur van Mijn jaloezie gesproken tegen het overblijfsel van de naties en tegen EdomEdom = rood , zij allen, die Mijn land aan henzelf tot pachtbezit gaven, met vreugde van heel het hart, met minachting van de ziel, ten einde haar gemeenschappelijke weidegronden tot plundering te maken?
6 Daarom, profeteer over de grond van IsraŽlIsraŽl = strijder van God en zeg tot de bergen en tot de heuvels en tot de beken en tot de ravijnen: Zo zegt mijn Heer JAHWEH: Aanschouw, Ik sprak in Mijn jaloersheid en in Mijn woede, omdat jullie het schaamrood van de naties dragen.
7 Daarom, zo zegt mijn Heer JAHWEH, hef Ik Mijn hand op! Zullen de naties die rondom jullie zijn hun schaamrood niet dragen?
8 En jullie, bergen van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, jullie zullen jullie grote tak geven en jullie zullen jullie vrucht dragen voor Mijn volk IsraŽlIsraŽl = strijder van God, want zij naderen om te komen.
9 Want aanschouw, Ik ben voor jullie en Ik wend Mij om tot jullie en jullie zullen gediend worden en jullie zullen gezaaid worden.
10 En Ik zal op jullie mensen vermeerderen, heel het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, allemaal. En de steden zullen bewoond worden en de verlaten plaatsen zullen gebouwd worden.
11 En Ik zal op jullie mens en beest vermeerderen en zij zullen veel zijn en zij zullen vruchtbaar zijn en Ik zal jullie doen bewonen, zoals in jullie vroegere staat en Ik zal het goede uit jullie begin doen. En jullie zullen weten dat Ik JAHWEH ben.
12 En Ik zal mensen over jullie doen gaan, Mijn volk IsraŽlIsraŽl = strijder van God, en zij zullen jou pachten. En jij zal voor hen tot lotbezit worden en jij zal niet meer voortgaan hen van hun kinderen te beroven.
13 Zo zegt mijn Heer JAHWEH. Omdat zij tot jullie zeggen: Jij bent een verslinder van mensen en: Een kinderberover van jouw twee naties werd jij,
14 daarom zal jij niet meer mensen verslinden en jouw twee naties zullen niet meer van kinderen beroven, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.
15 En Ik zal jou niet meer het schaamrood van de naties doen horen en de smaad van de volken zal jij niet meer dragen en jij zal jouw twee naties niet meer doen struikelen, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk.
16 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggend:
17 Zoon van de mens. Het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, toen het woonde op hun grond, verontreinigde het door hun weg en door hun praktijken; als de onreinheid van de geÔsoleerde vrouw werd hun weg voor Mijn aangezicht.
18 En Ik goot Mijn woede over hen uit, vanwege het bloed dat zij vergoten op het land; en met hun drollenafgoden verontreinigden zij het.
19 En Ik verstrooide hen onder de naties en zij werden weggegooid in de landen; naar hun weg en naar hun praktijken oordeelde Ik hen.
20 Toen zij tot de naties kwamen, daar waar zij gingen, ontwijdden zij de Naam van Mijn heiligheid, door tot hen te zeggen: Dezen zijn het volk van JAHWEH, en zij gingen uit van Zijn land.
21 En Ik zal deernis hebben met Mijn Naam van heiligheid, die zij ontwijdden, het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, onder de naties waar zij kwamen.
22 Daarom, zeg tot het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God: Zo zegt mijn Heer JAHWEH! Niet omwille van jullie zal Ik het doen, huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God, maar veeleer voor de Naam van Mijn heiligheid, die jullie ontwijdden onder de naties, daar waar jullie kwamen.
23 Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die ontwijd werd onder de naties, die jullie ontwijdden in hun midden. En de naties zullen weten dat Ik JAHWEH ben, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk, wanneer Ik voor hun ogen onder jullie geheiligd wordt.
24 En Ik zal jullie uit de naties nemen en jullie bijeen roepen uit alle landen en Ik zal jullie naar jullie grond brengen.
25 En Ik zal rein water op jullie sprenkelen en jullie zijn rein van al jullie onreinheden. En van al jullie drollenafgoden zal Ik jullie reinigen.
26 En Ik zal aan jullie een nieuw hart geven en Ik zal jullie een nieuwe geest geven in jullie binnenste. En Ik zal het hart van steen wegnemen uit jullie vlees en Ik zal aan jullie een hart van vlees geven.
27 En Mijn geest zal Ik in jullie binnenste geven en Ik zal maken dat jullie in Mijn statuten zullen gaan. En Mijn verordeningen zullen jullie in acht nemen en doen.
28 En jullie zullen wonen in het land dat Ik aan jullie vaders gaf. En jullie zullen voor Mij tot volk zijn en Ik zal voor jullie tot Elohim zijn. En Ik geef aan hen een hart om Mij te kennen, dat Ik JAHWEH ben. En zij worden voor Mij tot volk en Ik zal voor hen tot Elohim worden, want zij zullen met heel hun hart tot Mij terugkeren. (SW)[Jer. 24:7]
29 En Ik red jullie uit al jullie onreinheden. En Ik zal roepen tot het graan en Ik zal het vermeerderen en Ik zal over jullie geen hongersnood geven.
30 En Ik zal de vrucht van de boom en de opbrengst van het veld vermeerderen, opdat jullie niet meer de smaad van hongersnood lijden onder de naties.
31 En jullie gedenken jullie kwade wegen en jullie handelingen, die niet goed waren, en jullie hebben een afkeer van jullie aangezichten vanwege jullie verdorvenheden en vanwege jullie afschuwelijkheden.
32 Niet omwille van jullie zal Ik dit doen, zegt mijn Heer JAHWEH met nadruk, het worde bij jullie bekend. Staat beschaamd en wordt rood van schaamte over jullie wegen, huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God!
33 Zo zegt mijn Heer JAHWEH: In de dag dat Ik jullie reinig van al jullie verdorvenheden en Ik de steden doe bewonen en de verlaten plaatsen gebouwd worden,
34 en het land, dat troosteloos was geworden, gediend zal worden, in plaats van dat het troosteloosheid was geworden voor de ogen van elk die passeert.
35 En zij zeggen: Dit troosteloos geworden land werd als de tuin van EdenEden = lusthof en de verlaten steden en die troosteloos geworden zijn en die gesloopt zijn, zijn bewoond en verdedigd.
36 Dan weten de naties die rondom jullie overblijven, dat Ik, JAHWEH, het gesloopte herbouwde, Ik het troosteloos gewordene herplantte. Ik, JAHWEH, sprak en Ik zal het doen.
37 Zo zegt mijn Heer JAHWEH: Nog dit! Ik zal geraadpleegd worden door het huis van IsraŽlIsraŽl = strijder van God om voor hen te doen: Ik zal hen vermeerderen als een menselijke kudde kleinvee,
38 als een kudde van heilige offers, als een kudde kleinvee van JeruzalemJeruzalem = stad van (de god) Salem - vredestichter bij haar afgesproken feesten. Zo zullen de verlaten steden gevuld worden met een menselijke kudde kleinvee. En zij zullen weten dat Ik JAHWEH ben.

Terug naar de indexpagina
Naar EzechiŽl 37
   


© www.schriftwoord.nl
U mag deze tekst voor eigen gebruik en studie-doeleinden zonder toestemming vermenigvuldigen.
Citeren van deze tekst mag alleen met bronvermelding.
Vermenigvuldiging voor commercieel gebruik alleen met toestemming van de uitgever.